ECLI:NL:RVS:2004:AP8363
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Boll
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen last onder dwangsom wegens overtreding milieuvergunning
Appellant kreeg op 28 juni 2002 een last onder dwangsom opgelegd vanwege het houden van meer of andere dieren dan toegestaan in vier gebouwen van zijn veehouderij, in strijd met de Wet milieubeheer en eerdere vergunningen. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, handhaafde dit besluit na een ongegrond verklaard bezwaar op 16 oktober 2003.
Appellant voerde aan dat er concreet zicht op legalisatie bestond omdat hij in september 2003 was begonnen met de voorbereiding van een nieuwe vergunningaanvraag, die hij op 20 oktober 2003 zou hebben ingediend. Ook stelde hij dat de milieuhygiënische situatie verbeterd was, waardoor handhaving niet nodig was.
De Raad van State oordeelde dat appellant sinds een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak in februari 2003 voldoende gelegenheid had gehad om een ontvankelijke vergunningaanvraag in te dienen, maar dat er ten tijde van het bestreden besluit geen aanvraag of concept daarvan was ingediend. Het enkele telefoongesprek over overleg over een aanvraag bood geen concreet uitzicht op legalisatie. De belangenafweging door verweerder was redelijk en proportioneel, waarbij het handhavingsbelang zwaarder woog dan het bedrijfsbelang van appellant.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en was er geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.