ECLI:NL:RVS:2004:AP1622

Raad van State

Datum uitspraak
16 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307781/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak inzake griffierecht bij vakantie

Verzoekers hebben bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek ingediend tot herziening van een eerdere uitspraak van 27 augustus 2003, waarin hun verzet ongegrond werd verklaard. Zij voerden aan dat zij niet tijdig kennis konden nemen van een aangetekend schrijven over de verschuldigdheid van griffierecht vanwege hun vakantie, wat zij met reisbescheiden ondersteunden.

De Afdeling heeft het verzoek behandeld en overwogen dat herziening slechts mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak plaatsvonden, niet bekend waren en bij bekendheid tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. De vakantie en het niet tijdig kennisnemen van het schrijven waren reeds vóór de uitspraak bekend bij verzoekers en vormen daarom geen grond voor herziening.

De Afdeling concludeert dat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en wijst het verzoek af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

200307781/1.
Datum uitspraak: 16 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
om herziening (artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2003, in zaak no. 200304230/3.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 27 augustus 2003, in zaak no. 200304230/3, heeft de Afdeling het verzet ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij brief van 23 november 2003 hebben verzoekers de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 mei 2004, waar [verzoeker] in persoon is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2. In het verzoek om herziening, zoals ter zitting toegelicht, hebben verzoekers aangegeven het niet eens te zijn met de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2003 omdat hun niet verweten kan worden dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van het aangetekend schrijven van de Raad van State van 1 juli 2003, waarin zij op de verschuldigdheid van griffierecht zijn gewezen, aangezien zij met vakantie waren en dit schrijven inmiddels aan de afzender was retour gezonden. Verzoekers hebben ten bewijze van hun afwezigheid kopieën van de reisbescheiden overgelegd.
2.3. De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van een herzieningsverzoek uitsluitend wordt beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Dit rechtsmiddel dient er niet toe om een geschil waarin is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen.
2.4. Met hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in voormelde bepaling. Immers, reeds vóór genoemde uitspraak waren verzoekers bekend met de omstandigheid dat zij wegens hun vakantie niet tijdig kennis hadden genomen van het schrijven van de Raad van State van 1 juli 2003 en waren zij al in het bezit van de thans overgelegde stukken.
2.5. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Dallinga
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2004
18-384