ECLI:NL:RVS:2004:AP1591
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Konijnenbelt
- M. Oosting
- H.Ph.J.A.M. Hennekens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging van milieuvergunningvoorschriften voor composteerinrichting wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid
Bij besluit van 6 juni 2003 wijzigde het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland voorschriften van een revisievergunning voor een composteerinrichting te Voorschoten. Appellanten, een vennootschap en een vereniging, stelden beroep in tegen dit besluit. De Raad van State oordeelde dat het beroep van appellante sub 2 ontvankelijk was, ondanks betwisting door verweerder.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het bevoegd gezag bij het wijzigen van de vergunning dezelfde beoordelingscriteria moet hanteren als bij een nieuwe vergunning. Appellante sub 1 betwistte onder meer het voorschrift dat het composteringsproces op een vloeistofdichte bodembeschermende voorziening met inspectie volgens CUR/PBV-Aanbeveling 44 moet plaatsvinden. De Raad oordeelde dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte omdat inspectie praktisch onmogelijk is en dat het risico slechts aanvaardbaar, niet verwaarloosbaar, kan zijn.
Voorts stelde appellante sub 2 dat de voorschriften omtrent de vloeistofkerende vloer bij opslag onvoldoende waren gemotiveerd. De Raad stelde vast dat verweerder onterecht was afgeweken van de NRB-normen zonder deugdelijke motivering, waardoor het besluit strijdig was met het motiveringsbeginsel. Daarnaast werd geoordeeld dat de voorschriften niet vrijblijvend zijn en dat bezwaren over naleving niet tot vernietiging leiden.
De Raad verklaarde het beroep van appellante sub 1 geheel gegrond en dat van appellante sub 2 gedeeltelijk gegrond, vernietigde de voorschriften 1, 3, 5 en 6 en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten aan appellante sub 1.
Uitkomst: Het besluit tot wijziging van de revisievergunning is gedeeltelijk vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering.