ECLI:NL:RVS:2004:AP0487
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- P. van Dijk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring en uitzetting Somaliër
Appellant, een Somalische vreemdeling, werd op 23 maart 2004 in vreemdelingenbewaring gesteld en op 26 maart 2004 uitgezet. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat zij bevoegd was het hoger beroep te behandelen omdat appellant ook het oordeel over de bewaring aanvocht. Appellant klaagde terecht dat de rechtbank niet was ingegaan op zijn gronden omtrent het gebruik van een pseudo-Somalisch paspoort en het gebruik van een EU-staat, die volgens hem in strijd zouden zijn met het volkenrecht.
De Afdeling stelde vast dat het ontbreken van wettelijke basis voor het EU-staat document niet leidt tot onrechtmatigheid jegens appellant, omdat het document in de praktijk wordt geaccepteerd en bruikbaar is gebleken. De Afdeling nam ook kennis van voorlopige maatregelen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens die uitzetting naar Noord-Somalië voor bepaalde groepen tijdelijk verbieden.
Omdat appellant al was uitgezet voordat deze maatregelen van kracht waren, was de inbewaringstelling niet onrechtmatig. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, maar het beroep bij de rechtbank wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.