ECLI:NL:RVS:2004:AO9216
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S.I.M. Peute
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom voor onbemand ligplaats pleziervaartuig in plassengebied
Het dagelijks bestuur van het plassenschap Loosdrecht en omstreken legde appellant op 12 maart 2001 een last onder dwangsom op om zijn onbemand liggende pleziervaartuig te verwijderen, omdat dit in strijd was met de Verordening bescherming plassengebied. Appellant voerde bezwaar aan, dat door het dagelijks bestuur en later door de rechtbank Amsterdam werd afgewezen. Tegen deze uitspraak stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het pleziervaartuig van appellant niet viel onder de uitzondering van artikel 7, tweede lid, van de Verordening, omdat het niet binnen 15 meter van een woning lag en bovendien langer was dan twaalf meter. Het dagelijks bestuur was daarom bevoegd om handhavend op te treden.
Verder stelde de Raad van State vast dat geen bijzondere omstandigheden bestonden die afzien van handhaving rechtvaardigden. Het beleid van het dagelijks bestuur is gericht op bescherming van natuurlijke en landschappelijke waarden, waarbij geen nieuwe ontheffingen worden verleend. Ook eerdere correspondentie met de voormalige eigenaar bood geen grond om af te zien van handhaving.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.