ECLI:NL:RVS:2004:AO7988

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402082/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Beekhuis
  • P.A. de Vink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBesluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheerVoorschrift 1.4.2 Bijlage B BesluitVoorschrift 1.4.3 Bijlage B BesluitVoorschrift 4.4.1 Bijlage B Besluit
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen nadere eisen ontgeuringsinstallatie bij horecainrichting

Bij besluit van 10 februari 2004 stelde het college van burgemeester en wethouders van Brummen nadere eisen aan de ontgeuringsinstallatie van een horecainrichting om geurhinder te beperken. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening bij de Raad van State.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 1 april 2004 en oordeelde dat de motivering van het besluit onvoldoende was. Verweerder had niet aannemelijk gemaakt dat het verlengen van de afvoerpijp niet volstond om onaanvaardbare geurhinder te voorkomen, terwijl dit een alternatieve maatregel is die in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer is opgenomen.

Daarom werd het besluit geschorst bij wijze van voorlopige voorziening. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoeker. De uitspraak werd op 15 april 2004 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Brummen is geschorst bij wijze van voorlopige voorziening wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

200402082/1.
Datum uitspraak: 15 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Brummen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2004, kenmerk 03.004814/WdB, heeft verweerder krachtens het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (verder: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot de [inrichting] van verzoeker op het perceel [locatie] te [plaats] (gemeente Brummen).
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij brief van 11 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2004, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door ir. T.J. Korevaar, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door W.A. de Bruin, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De bij het bestreden besluit gestelde nadere eisen zien – kort gezegd – op het installeren en onderhouden van een ontgeuringsinstallatie. Volgens verweerder zijn deze nadere eisen noodzakelijk om geurhinder te voorkomen dan wel te beperken. Eerder binnen de inrichting getroffen maatregelen ter voorkoming van geurhinder zijn niet effectief gebleken, aldus verweerder.
2.2. Verzoeker stelt dat verweerder bij het opstellen van de nadere eisen onvoldoende heeft onderzocht of andere maatregelen ter reductie van geuremissie, zoals het verhogen van de uitmonding van de afvoer, vanwege het inwerking zijn van de inrichting mogelijk zijn. Daarnaast stelt verzoeker dat de termijn voor het voldoen aan deze nadere eisen te kort is.
2.3. Onbetwist is dat op de inrichting het Besluit van toepassing is en dat gelet op voorschrift 4.4.1 uit Bijlage B behorende bij het Besluit verweerder nadere eisen kan stellen ten aanzien van onder meer de aanwezigheid en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in voorschrift 1.4.3 uit Bijlage B behorende bij het Besluit.
Voorschrift 1.4.2 uit Bijlage B behorende bij het Besluit luidt: “Dampen die vrijkomen in een ruimte waarin voedingsmiddelen worden bereid, worden afgezogen, zonder dat zij zich binnen de inrichting kunnen verspreiden. De afvoerleiding voor dampen is gasdicht uitgevoerd.”
Voorschrift 1.4.3, uit Bijlage B behorende bij het Besluit luidt: “De afgezogen dampen als bedoeld in voorschrift 1.4.2:
a. worden ten minste 2 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd, of
b. passeren een ontgeuringsinstallatie voor zij naar de buitenlucht worden afgevoerd.
De dampen die worden afgezogen bij het grillen, anders dan door een houtskoolgrill, dan wel frituren of bakken in olie of vet, worden alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd, geleid door een verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.”
2.4. De Voorzitter overweegt dat in voorschrift 1.4.3, eerste volzin, twee maatregelen zijn opgenomen. Het maken van een keuze tussen deze twee maatregelen is primair de verantwoordelijkheid van degene die de inrichting drijft.
Anders dan verweerder stelt is noch uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting gebleken dat in de inrichting de afvoerpijp overeenkomstig voorschrift 1.4.3, eerste volzin, onder a, is verlengd. Weliswaar zijn in de inrichting enige maatregelen getroffen aan de afvoerpijp, maar deze betreffen niet het verlengen van de afvoerpijp overeenkomstig voorschrift 1.4.3, eerste volzin, onder a. Evenmin is door hetgeen verweerder heeft aangevoerd aannemelijk geworden dat het verlengen van de afvoerpijp niet voldoende zal zijn om onaanvaardbare geurhinder te voorkomen. Dat verweerder tijdens het in werking zijn van de inrichting geurhinder heeft geconstateerd is daarvoor op zichzelf onvoldoende.
Gelet hierop komt de Voorzitter tot de conclusie dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de door verweerder gegeven motivering.
2.5. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Brummen van 10 februari 2004, 03.004814/WdB;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Brummen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 48,78; het bedrag dient door de gemeente Brummen te worden betaald aan verzoeker;
III. gelast dat de gemeente Brummen aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. De Vink
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004
154-314.