ECLI:NL:RVS:2004:AO7987

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402009/1 en 200402009/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
  • E.D. Boer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen kapvergunning voor 33 bomen in Hattem

Het college van burgemeester en wethouders van Hattem verleende op 7 januari 2003 een vergunning aan een vergunninghouder voor het kappen van 33 bomen op een perceel in Hattem. Appellante, de vereniging Milieugroep Hattem, maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat bij besluit van 30 juni 2003 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellante beroep in bij de rechtbank Zutphen, die op 8 maart 2004 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellante stelde bij de Raad van State hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek op 1 april 2004. In de overwegingen stelde de Voorzitter vast dat de vergunning slechts geldig was tot één jaar na het besluit van 7 januari 2003, en dat deze termijn inmiddels was verstreken zonder dat van de vergunning gebruik was gemaakt.

Hierdoor ontbrak appellante aan een procesbelang bij het hoger beroep, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 15 april 2004 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

200402009/1 en 200402009/2.
Datum uitspraak: 15 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
de vereniging "Milieugroep Hattem", zetelend te Hattem,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 8 maart 2004 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Hattem
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hattem (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het kappen van 33 bomen op het perceel [locatie] te Hattem.
Bij besluit van 30 juni 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 maart 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 9 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door M. Oosterhoff en E.J. Braakenburg, bestuursleden van appellante, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.H. van der Maat, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer.
2. Overwegingen
2.1. In het besluit van 7 januari 2003 is bepaald dat de kapvergunning van kracht blijft tot één jaar na de datum van verzending van dit besluit. Niet in geschil is dat deze termijn inmiddels is verstreken. Dit betekent dat de vergunning is komen te vervallen. Nu voorts vast staat dat van de vergunning geen gebruik is gemaakt, heeft appellante geen processueel belang bij een uitspraak op het hoger beroep.
2.2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.3. Het hoger beroep is niet ontvankelijk.
2.4. Gelet hierop, dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2004
201.