ECLI:NL:RVS:2004:AO7146

Raad van State

Datum uitspraak
1 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200401180/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D. Dolman
  • R.F.J. Bindels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 NatuurbeschermingswetArt. 19 NatuurbeschermingswetArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing opschortende werking bezwaarschriften vergunning assimilatiebelichting Eerste Bathpolder

Bij besluit van 14 november 2003 verleende de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een vergunning onder voorwaarden voor het gebruik van assimilatiebelichting binnen de glastuinbouwlocatie in de Eerste Bathpolder te Rilland, op een afstand groter dan 500 meter van het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks.

Tegen dit besluit werden door verzoekster, de Zeeuwse Milieufederatie en andere partijen bezwaarschriften ingediend. Verzoekster verzocht vervolgens om opheffing van de opschortende werking van deze bezwaarschriften op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Voorzitter stelde vast dat het besluit een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet betreft en dat assimilatiebelichting reeds wordt toegepast binnen de glastuinbouwlocatie. Gelet op de belangen en de toezegging van verweerder om vóór de besluitvorming op de bezwaarschriften te beslissen, achtte de Voorzitter het niet aannemelijk dat de vergunning onevenredige schade aan de natuurwaarden van het staatsnatuurmonument zou veroorzaken.

Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen en de opschortende werking van de bezwaarschriften opgeheven. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De opschortende werking van de bezwaarschriften tegen de vergunning voor assimilatiebelichting in de Eerste Bathpolder wordt opgeheven.

Uitspraak

200401180/1.
Datum uitspraak: 1 april 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
verzoekster,
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2003 heeft verweerder aan verzoekster een vergunning onder voorwaarden als bedoeld in artikel 12 van Pro de Natuurbeschermingswet verleend voor het gebruik van assimilatiebelichting binnen de glastuinbouwlocatie in de Eerste Bathpolder te Rilland op een afstand groter dan 500 meter vanuit het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks.
Tegen dit besluit hebben verzoekster bij brief van 3 december 2003, [partij A] en [partij B] bij brief van 12 december 2003, [partij C] bij brief van 19 december 2003 en de Zeeuwse Milieufederatie bij brief van 22 december 2003, bezwaar gemaakt.
Bij brief van 6 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht de schorsende werking van de bezwaarschriften op te heffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 maart 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. P.W.H.M. Haans, advocaat te Bergen op Zoom, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.
Voorts zijn de Zeeuwse Milieufederatie, vertegenwoordigd door M.F.G. van Zonneveld, gemachtigde, [partij A] en [partij B] en [partij C], vertegenwoordigd door mr. H.A.M. Lamers, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, voor zover hier van belang, wordt de werking van een besluit tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 12 van Pro deze wet opgeschort totdat op het bezwaar hiertegen is beslist.
2.2. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het besluit van 14 november 2003 geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet betreft, zodat de daartegen ingediende bezwaarschriften geen opschortende werking hebben. Voor zover toch moet worden aangenomen dat dit besluit een vergunning ingevolge deze wet is, beoogt verzoekster met haar verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opheffing van de opschortende werking van de bij verweerder tegen dit besluit ingediende bezwaarschriften.
2.3. De Voorzitter stelt vast dat voor de aanleg van een glastuinbouwcomplex in de Eerste Bathpolder te Rilland bij besluit van 7 juli 2000, gewijzigd bij besluit van 30 oktober 2000, vergunning is verleend op grond van de Natuurbeschermingswet. Op grond van deze, onherroepelijke, vergunning is het gebruik van assimilatiebelichting door een individueel bedrijf binnen een afstand van 500 meter vanuit de Oosterschelde toegestaan. Bij toepassing van assimilatiebelichting door een individueel bedrijf op een afstand groter dan 500 meter vanuit de Oosterschelde dient een lichtplan opgesteld te worden om in beeld te brengen of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om schade aan de natuur in de Oosterschelde te voorkomen. Dit lichtplan dient aan verweerder ter goedkeuring te worden voorgelegd. Indien de aanvullende maatregelen, voortvloeiend uit het goedgekeurde lichtplan, integraal zijn uitgevoerd kan assimilatiebelichting op een afstand groter dan 500 meter vanuit de Oosterschelde worden toegepast.
2.4. De Voorzitter overweegt dat de procedure op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb ziet op het, in afwachting van de beslissing op - in dit geval - de ingediende bezwaarschriften, treffen van voorlopige voorzieningen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet hierop gaat de Voorzitter omwille van de verdere behandeling van het verzoek er thans van uit dat het besluit van 14 november 2003 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is.
2.5. Het besluit van 14 november 2003 strekt ertoe dat verzoekster in haar glastuinbouwbedrijf in de Eerste Bathpolder, voorzover gelegen op meer dan 500 meter van het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks, onder voorwaarden assimilatiebelichting mag toepassen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster reeds assimilatiebelichting toepast ten behoeve van trostomatenteelt. Tegen het besluit van 14 november 2003 hebben verzoekster zelf, de Zeeuwse Milieufederatie, [partij C] en [partij A] en [partij B] bezwaarschriften ingediend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster zelf, verweerder, en de Zeeuwse Milieufederatie, voor zover het betreft de thans plaatsvindende teelt, geen bezwaar hebben tegen opheffing van de opschortende werking van de ingediende bezwaarschriften. Verzoekster heeft meegedeeld dat de besluiten over de nieuwe teelt in juli/augustus zullen worden genomen. Ter zitting heeft verweerder toegezegd dat hij voordien op de bezwaarschriften zal hebben beslist.
Ten aanzien van de door [partij C] en [partij A] en [partij B] ingediende bezwaarschriften overweegt de Voorzitter hierin op voorhand geen aanleiding te zien voor een afwijzing van het verzoek. De Voorzitter acht niet aannemelijk gemaakt dat door inwerkingtreding van de vergunning aan de natuurwaarden in het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks onevenredige schade zal worden toegebracht.
2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
treft de voorlopige voorziening dat de opschortende werking van de bezwaarschriften tegen het besluit van 14 november 2003 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, kenmerk 03/2537/hz/ae, wordt opgeheven.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.
w.g. Dolman w.g. Bindels
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2004
392/85.