ECLI:NL:RVS:2004:AO7101
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K. Brink
- Rechtspraak.nl
Vergunningverlening melkgeitenhouderij en beoordeling stankhinder
Verweerder verleende op 9 juli 2003 een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een melkgeitenhouderij met 412 melkgeiten en 120 opfokgeiten. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit, met name vanwege zorgen over stankhinder en de classificatie van zijn bedrijfsgebouwen als voor stank gevoelige objecten.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat verweerder bij de vergunningverlening terecht uitging van een categorie II-omgeving en de Richtlijn veehouderij en stankhinder toepaste. De uitbreidingsplannen van appellant werden niet als redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen aangemerkt, omdat er geen concrete bouwvergunning of aanvraag was. Tevens werden de bedrijfsgebouwen, behalve de bedrijfswoning, niet als voor stank gevoelige objecten beschouwd.
De afstand tussen de inrichting en de bedrijfswoning voldoet aan de vereiste 100 meter, waardoor geen onaanvaardbare stankhinder wordt verwacht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening voor de melkgeitenhouderij wordt ongegrond verklaard.