ECLI:NL:RVS:2004:AO5753
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing rijbewijs wegens spookrijden na onderzoek rijvaardigheid
De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft bij besluit van 27 februari 2002 bepaald dat appellant zich moest onderwerpen aan een onderzoek naar rijvaardigheid en de geldigheid van zijn rijbewijs voor alle categorieën werd geschorst. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en de rechtbank Maastricht verklaarde het beroep van appellant tegen de schorsing ongegrond.
Appellant stelde dat de termijnen in artikel 131 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 niet als termijnen van orde konden worden beschouwd en betwistte de bevoegdheid van de Minister tot schorsing. De rechtbank en de Raad van State oordeelden echter dat de termijnen wel als termijnen van orde gelden en dat de Minister bevoegd was op grond van de wet en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid tot schorsing en inname van het rijbewijs over te gaan.
Vast stond dat appellant zich schuldig had gemaakt aan spookrijden door bij het links afslaan een vluchtheuvel te passeren en vervolgens 150 meter tegen het verkeer in te rijden. Dit gedrag kwalificeerde als spookrijden volgens de Regeling. Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De schorsing van het rijbewijs wegens spookrijden wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.