ECLI:NL:RVS:2004:AO5733
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- A.W.M. Bijloos
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boete wegens onvoldoende bewijs werkopdracht bij valongeval op bouwplaats
Appellante kreeg een bestuurlijke boete opgelegd van ƒ 9.000 wegens overtreding van veiligheidsvoorschriften op een bouwplaats, nadat een werknemer viel door een niet-draagkrachtige golfplaat zonder valbeveiliging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het verwijderen van ventilatiekokers deel uitmaakte van de werkopdracht en dat appellante tekort was geschoten in haar zorgplicht.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat onvoldoende is komen vast te staan dat het verwijderen van de ventilatiekokers tot de werkopdracht behoorde. Appellante had gesteld dat dit meerwerk was waarvoor vooraf contact had moeten worden opgenomen. De boete-inspecteur had dit niet expliciet onderzocht.
Daarom is het besluit van de Staatssecretaris op onvoldoende feitelijke gronden gebaseerd en is artikel 7:12 van Pro de Awb geschonden. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar en gelast een nieuwe beslissing. Tevens wordt de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het besluit van de Staatssecretaris vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat het valgevaarlijke werk tot de werkopdracht behoorde.