ECLI:NL:RVS:2004:AO3951

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304197/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2.4 Bouwverordening HengeloArt. 100 lid 3 WoningwetArt. 125 GemeentewetArt. 11 onder b Bouwverordening HengeloArt. 40 lid 1 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging stilleggingsbesluit bouw stadshotel wegens niet-goedgekeurde tekeningen en berekeningen

Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo verleende op 24 april 2001 een bouwvergunning voor een stadshotel aan Drieluik Vastgoed Hengelo B.V. Deze vergunning was onherroepelijk en stelde voorwaarden waaronder tekeningen en berekeningen van gewapende beton- en staalconstructies uiterlijk drie weken voor aanvang van de bouw ter goedkeuring moesten worden ingediend.

Appellante begon op 21 augustus 2001 met de bouw, maar het college besloot op 30 oktober 2001 de bouw stil te leggen omdat niet alle definitieve tekeningen en berekeningen waren ingediend en goedgekeurd, waardoor de bouw in strijd was met de vergunning en de Woningwet. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.

De Raad van State bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het college terecht het belang van het voorkomen van een onomkeerbare situatie zwaarder mocht laten wegen dan het belang van appellante bij voortzetting van de bouw. De latere goedkeuring van aanvullende tekeningen doet hieraan niet af. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het stilleggingsbesluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

200304197/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap Drieluik Vastgoed Hengelo B.V., gevestigd te Nijverdal,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 mei 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college) besloten tot onmiddellijke stillegging van de bouw van een stadshotel op het perceel plaatselijk bekend als B.P. Hofstedestraat 50 te Hengelo (hierna: het stadshotel).
Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 mei 2003, verzonden dezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 12 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 10 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 15 december 2003 heeft appellante een nadere memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.J.G.M. van Gool, advocaat te Dordrecht, en bijgestaan door A.A. van der Windt, bouwkundig adviseur, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.E.M. Wolsink, ing. A.J. Winkel, ir. S. Schiltstra en mr. R.R. Greutink, allen ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 24 april 2001, verzonden 27 april 2001, heeft het college onder toepassing van artikel 2.2.4. van de Bouwverordening van de gemeente Hengelo (hierna: de Bouwverordening), bouwvergunning verleend voor het bouwen van een stadshotel. Deze bouwvergunning is in rechte onaantastbaar. Aan deze vergunning heeft het college, voor zover thans van belang, de navolgende voorwaarden verbonden:
- het bouwen moet geschieden overeenkomstig de bepalingen van het Bouwbesluit en de Bouwverordening en krachtens de op grond daarvan gestelde nadere regelen;
- uiterlijk drie weken voor de aanvang van de bouwwerkzaamheden moeten (onder andere) de navolgende bescheiden ter goedkeuring worden overgelegd aan de afdeling Bouwen:
- tekeningen en berekeningen van gewapende betonconstructies;
- tekeningen en berekeningen van de staalconstructies.
2.2. Appellante is op 21 augustus 2001 begonnen met de bouw van het stadshotel. Op 30 oktober 2001 heeft het college op grond van artikel 100, derde lid, van de Woningwet, in samenhang met artikel 125 van Pro de Gemeentewet en artikel 11, onder b, van de Bouwverordening, besloten tot het stilleggen van de bouwwerkzaamheden vanwege het bouwen in afwijking van de verleende bouwvergunning en het daarmee handelen in strijd met artikel 40, eerste lid van de Woningwet.
2.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante ten tijde van dit besluit de ingevolge de aan de verleende bouwvergunning verbonden voorwaarden vereiste tekeningen en berekeningen ter goedkeuring had overgelegd en die goedkeuring had verkregen.
2.4. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat op 30 oktober 2001 nog niet alle definitieve tekeningen en berekeningen voor de vanaf dat moment geplande bouwfase bij het college waren ingeleverd en goedgekeurd, zodat het college bevoegd was tot het stilleggen van de bouw. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het standpunt van het college dat op dat moment een onomkeerbare situatie dreigde, gerechtvaardigd was. De op het moment van stillegging voorgenomen werkzaamheden betroffen immers een voortzetting van de bouw op die onderdelen welke niet waren goedgekeurd. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid aan het belang dat is gediend met het stilleggen van de bouw een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang van appellante om die te kunnen voortzetten. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat het college, bij het gebruik maken van de bevoegdheid de bouw stil te leggen, onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellante, kan dan ook niet worden gevolgd. De omstandigheid dat de overgelegde tekeningen en berekeningen – na het aanleveren van aanvullende gegevens – in een later stadium alsnog zijn goedgekeurd doet aan het vorenstaande niet af.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004
47-397.