ECLI:NL:RVS:2004:AO3921

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302965/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C. de Gooijer
  • P.A. Offers
  • T.M.A. Claessens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WROArt. 10.1 bestemmingsplan Mensfort-Rapenland 1996Art. 10.2 bestemmingsplan Mensfort-Rapenland 1996Art. 8:86 AwbArt. 11 WRO
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijstelling en bouwvergunning voor woningbouw ondanks bezwaar appellanten

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven verleende op 26 maart 2002 vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van 68 woningen met drie werkruimtes op een perceel te Eindhoven. Appellanten, twee besloten vennootschappen, maakten bezwaar tegen deze besluiten, dat door het college werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Appellanten stelden onder meer dat de procedure incorrect was verlopen, dat niet voldaan was aan de voorwaarden voor vrijstelling op grond van artikel 19 WRO Pro, dat onvoldoende aandacht was besteed aan parkeernormen en verkeersaspecten, en dat geluidsoverlast en mogelijke belemmering van uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven onvoldoende waren onderzocht. De Raad van State oordeelde dat de procedure correct was verlopen en dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat hun belangen waren geschaad. De vrijstelling was terecht verleend binnen de kaders van de WRO en de provinciale notitie.

De Raad van State bevestigde dat de parkeernormen waren nageleefd en dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat het project niet tot overbelasting van de infrastructuur zou leiden. Ook was de ruimtelijke onderbouwing voldoende. De vrees voor geluidshinder en belemmering van uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven werd niet gegrond geacht, mede omdat het college uitging van bestaande vergunningen en een milieudienstonderzoek geen overschrijding van geluidsnormen aantoonde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.

Uitspraak

200302965/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
De besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Eindhovense Radiateurenfabriek B.V. en Prefab Beton Eindhoven B.V., beide gevestigd te Eindhoven,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 april 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 68 woningen met drie werkruimtes op het perceel gelegen aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 13 januari 2003 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 april 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 16 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 17 juli 2003 heeft vergunninghoudster een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2003, waar namens appellanten H.B. Prevo, bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.A.M.C. Hermans, R.A.J. Gielen en ing. P.S.J. Peereboom, allen ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door J. van Halder en M. van der Sangen, bijgestaan door mr. E.J.C.M. Smit, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten hebben de beroepsgrond die is gericht tegen de toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht ter zitting ingetrokken, zodat deze verder geen bespreking meer behoeft.
2.2. Anders dan appellanten stellen, is niet gebleken dat de procedure incorrect is verlopen. De omstandigheid dat de reactie op de door appellanten op 25 februari 2002 ingediende zienswijze pas op 3 april 2002 aan appellanten is toegezonden maakt dit niet anders, aangezien appellanten hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad. Verder hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het college hun standpunten niet serieus heeft genomen.
2.3. Ingevolge artikel 10.1 van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan “Mensfort-Rapenland 1996”, mag slechts worden gebouwd overeenkomstig het plan zoals dat door burgemeester en wethouders op grond van artikel 11 van Pro de WRO voor dit gebied is uitgewerkt en door gedeputeerde staten onherroepelijk is goedgekeurd.
Ingevolge artikel 10.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is bouwen voor het tijdstip waarop het bestemmingsplan is uitgewerkt en onherroepelijk is goedgekeurd mogelijk mits het aannemelijk is dat het bouwplan past in de toekomstige uitwerking.
2.3.1. Niet in geschil is dat voormelde regeling, die het mogelijk maakt om het bouwverbod op betreffend perceel te doorbreken, niet kan worden toegepast. Om aan het bouwplan toch medewerking te verlenen heeft het college vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.
2.4. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge het eerste lid van dit artikel, voorzover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.
2.5. Gedeputeerde staten van Noord-Brabant hebben bij brief van 19 december 2000, nr. 722688/724398, nader aangevuld bij brief van 19 februari 2002, nr. 722688/815992, een notitie bekendgemaakt over toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, waarbij zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan worden verleend van onder andere het bestemmingsplan “Mensfort-Rapenland 1996” mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Anders dan appellanten betogen is het voor het verlenen van een vrijstelling als hier bedoeld derhalve niet nodig dat het college van gedeputeerde staten een concreet bouwplan vooraf beoordelen.
2.6. Eerst ter zitting in hoger beroep hebben appellanten betoogd dat het bouwplan moet worden aangemerkt als een majeur project, zodat niet wordt voldaan aan voorwaarde 1 van de categorieaanwijzing. De Afdeling laat dit betoog echter buiten beschouwing, aangezien niet is gebleken dat appellanten dit standpunt redelijkerwijs niet reeds bij de rechtbank naar voren hadden kunnen brengen.
2.7. Appellanten betogen voorts tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat niet is voldaan aan voorwaarde 6, inhoudende dat aan initiatieven slechts medewerking kan worden verleend indien aan het parkeren voldoende aandacht is besteed (in ieder geval qua parkeernormering passend in het provinciaal locatiebeleid zoals dat is neergelegd in de Handleiding Mobiliteit Ruimtelijke Plannen van januari 1994; verder in principe parkeren op eigen terrein oplossen). De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat aan de parkeernormen is voldaan.
2.8. Het betoog van appellanten dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, slaagt evenmin. Niet kan worden staande gehouden dat de ruimtelijke onderbouwing, neergelegd in de notitie van 17 mei 2001, niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. De voorzieningenrechter is tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.9. Verder faalt het betoog van appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat voorafgaand aan het verlenen van de vrijstelling onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het project op de bestaande parkeersituatie en dat daarnaast de verkeersaspecten onvoldoende zijn onderzocht. Zoals reeds is overwogen in overweging 2.7. voldoet het project aan de geldende parkeernorm. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door het college gehanteerde maatstaf onjuist is. Anders dan appellanten stellen bestaat er geen grond voor het oordeel dat moet worden uitgegaan van twee parkeerplaatsen per woning. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de uitvoering van het project niet leidt tot een overbelasting van de aanwezige infrastructuur.
2.10. Appellanten betogen ten slotte dat de voorzieningenrechter – in navolging van het college - ten onrechte is voorbijgegaan aan hun vrees dat realisering van het project problemen oplevert in de zin dat de bewoners hinder zullen ondervinden van de geluiden van de bedrijven. Ditzelfde geldt voor de vrees dat bij realisering van het project (eventuele) uitbreidingsmogelijkheden van beide bedrijven verloren gaan, aldus appellanten.
2.10.1. Dit betoog faalt. De voorzieningenrechter is er terecht van uitgegaan dat het college de bestaande vergunningen als uitgangspunt bij zijn beoordeling heeft genomen. Met eventuele toekomstige uitbreidingen behoefde het college geen rekening te houden.
Bij de beslissing op bezwaar heeft het college verwezen naar de conclusie van het door de Milieudienst Regio Eindhoven uitgevoerde onderzoek. Deze heeft geconcludeerd dat ter plaatse van de geplande woningen aan de geluidsvoorschriften wordt voldaan. Daarnaast komt de gehanteerde normstelling voor het equivalente geluidsniveau, in de aan de bedrijven verstrekte milieuvergunningen, overeen met de streefwaarden voor een woonwijk in de stad en met het karakter van de woonomgeving. De voorzieningenrechter heeft op goede gronden geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om aan de uitkomsten van dit onderzoek te twijfelen.
2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. De Gooijer w.g. Lodder
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004
17-406.