ECLI:NL:RVS:2003:AO0945

Raad van State

Datum uitspraak
16 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307710/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • G.K. Klap
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 8:81 AwbArt. 9 Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom voor niet-erkend bodemonderzoek

Verzoeker kreeg bij besluit van 4 november 2003 een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Twenterand omdat niet-schone grond van het ene perceel naar het andere was verplaatst zonder dat deze was onderzocht door een erkend bureau volgens het Bouwstoffenbesluit protocol AP04.

Verzoeker betoogde dat de grond slechts licht verontreinigd was en niet als schone grond mocht worden verhandeld, en dat de grond bovendien niet was verhandeld maar op eigen terrein was verwerkt, waardoor nader onderzoek niet nodig zou zijn.

De verweerder stelde dat het uitgevoerde bodemonderzoek niet door een erkend bureau was uitgevoerd en niet voldeed aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit, waardoor onduidelijk bleef of de grond zonder nadere voorzieningen kon worden toegepast.

De Voorzitter stelde vast dat de grond was verplaatst en uitgespreid en dat het bodemonderzoek niet voldeed aan de wettelijke eisen, ongeacht het feit dat de grond op eigen terrein was verwerkt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

200307710/1.
Datum uitspraak: 16 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Twenterand,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2003, kenmerk RZ/RV92-03, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 2.500,00 per maand dat de van het perceel [locatie sub 1] naar het perceel [locatie sub 2] verplaatste niet-schone grond niet door een erkend bureau conform het Bouwstoffenbesluit protocol AP04 is onderzocht op samenstelling en immissie van deze grond in de onderliggende bodem. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij brief van 18 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 december 2003, waar verzoeker [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door R. Venema, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.
3. Overwegingen
3.1. Verzoeker voert aan dat uit de in zijn opdracht uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de onderhavige grond slechts licht verontreinigd is en daarom niet als ‘schone grond’ mag worden verhandeld. Hij stelt dat de grond niet is verhandeld en op zijn eigen terrein is verwerkt. Verzoeker is van mening dat de grond daarom niet nader behoeft te worden onderzocht.
3.1.1. Verweerder voert aan dat de in opdracht van verzoeker uitgevoerde bodemonderzoeken niet door een erkend onderzoeksbureau zijn uitgevoerd en niet voldoen aan de in het kader van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming gestelde eisen. Daardoor is het volgens verweerder onduidelijk of de onderhavige grond wel zonder nadere voorzieningen kon worden toegepast.
3.1.2. De Voorzitter stelt vast dat de onderhavige grond bij werkzaamheden op het perceel [locatie sub 1] is vrijgekomen en vervolgens is verplaatst en uitgespreid op het perceel [locatie sub 2]. Tevens stelt de Voorzitter vast dat het in opdracht van verzoeker uitgevoerde bodemonderzoek niet aan de, conform artikel 9 van Pro het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming en de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit, hieraan gestelde eisen voldoet. De stelling van verzoeker dat de grond niet is verhandeld, maar op eigen terrein is verwerkt speelt hierbij geen rol. Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
3.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2003
315.