ECLI:NL:RVS:2003:AO0835

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303473/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • G.A.A.M. Boot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen voorbereidingsbesluit gemeente Haaksbergen inzake verbouwing bakkerij

De gemeenteraad van Haaksbergen nam op 1 november 2000 een voorbereidingsbesluit voor een perceel waar een bakkerij verbouwd zou worden. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van appellant gegrond en beval een nieuwe beslissing. De gemeenteraad wees het bezwaar vervolgens ongegrond, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant stelde schade te hebben geleden door het voorbereidingsbesluit, maar concrete onderbouwing ontbrak. Bovendien was op 6 november 2002 de bouwvergunning voor de verbouwing onherroepelijk geworden, waardoor appellant geen gunstiger positie kon verkrijgen door het beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en appellant kreeg het betaalde griffierecht terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 december 2003.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis van de rechtbank Almelo wordt vernietigd.

Uitspraak

200303473/1.
Datum uitspraak: 24 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 18 april 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de raad van de gemeente Haaksbergen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2000 heeft de raad van de gemeente Haaksbergen (hierna: de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) genomen voor het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 30 mei 2001 heeft de gemeenteraad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 februari 2002 heeft de rechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de gemeenteraad opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van appellant te nemen.
Bij besluit van 29 augustus 2002 heeft de gemeenteraad het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 3003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 31 juli 2003 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2003, waar appellant vertegenwoordigd door zijn zoon [naam zoon], gemachtigde, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. R.H. Willems, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het voorbereidingsbesluit houdt verband met de verbouwing van een bakkerij op het betrokken perceel. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.
2.2. Niet valt in te zien dat appellant door de mogelijke gegrondverklaring van zijn beroep bij de rechtbank tegen het voorbereidingsbesluit in een gunstiger positie zou geraken, nu de bouwvergunning voor de verbouwing van de bakkerij op 6 november 2002 rechtens onaantastbaar is geworden en appellant weliswaar heeft gesteld schade als gevolg van het voorbereidingsbesluit als zodanig te hebben geleden, maar deze in het geheel niet heeft geconcretiseerd. De rechtbank heeft dit miskend.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 18 april 2003, AWB 02/877 WRO N1 A;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellant niet-ontvankelijk;
IV. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 175,00) terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Boot
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003
202.