ECLI:NL:RVS:2003:AO0767
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Konijnenbelt
- H.G. Lubberdink
- Ch.W. Mouton
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen last onder dwangsom voor niet-verwijderde ondergrondse tank
Appellante, eigenaar van een perceel met een ondergrondse tank die niet meer in gebruik is, kreeg een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet voldoen aan artikel 18, vierde lid, van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998. Zij voerde aan dat de tank al voor 1993 onklaar was gemaakt, waardoor artikel 18, zesde lid, van toepassing zou zijn, en dat de bewijslast hiervoor bij verweerder lag. Tevens stelde zij dat het besluit in strijd was met het vertrouwensbeginsel en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Verweerder stelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd dat de tank voor 1993 onklaar was gemaakt en wees op inconsistenties in de aangeleverde verklaringen en onderzoeken. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat aan de voorwaarden van artikel 18, zesde lid, was voldaan en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde. Ook was er geen sprake van strijd met andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De Afdeling concludeerde dat verweerder bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens het niet verwijderen of onklaar maken van de ondergrondse tank wordt ongegrond verklaard.