ECLI:NL:RVS:2003:AO0290
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- B. Bastein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring woningzoekende door college Rotterdam
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om een urgentieverklaring op grond van artikel 2.6.1 van de Huisvestingsverordening Rotterdam 1999. Dit verzoek werd op 30 mei 2002 afgewezen, waarna het bezwaar op 16 oktober 2002 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten op 29 juli 2003 ongegrond.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 11 december 2003. De kern van het geschil betrof de vraag of appellant voldeed aan de inkomenscriteria voor het verkrijgen van een urgentieverklaring. Uit de stukken bleek dat het gezamenlijke inkomen van appellant en zijn echtgenote in 2001 € 42.509 bedroeg, wat ruim boven de in de Huisvestingsverordening gestelde inkomensgrens lag.
De Raad van State overwoog dat het college terecht niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de medische situatie van de echtgenote, omdat de inkomensvoorwaarde niet was vervuld. Ook was er geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens overschrijding van de inkomensgrens.