ECLI:NL:RVS:2003:AN9688
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Hoekstra
- A. Kosto
- J.J.C. Voorhoeve
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning ontgronding wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering
Bij besluit van 22 oktober 2002 verleende het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland een vergunning voor ontgronding aan de stadsdeelraad van Amsterdam-Zuidoost. Diverse appellanten stelden beroep in tegen dit besluit. De Raad van State behandelde het geschil op 31 oktober 2003 en deed uitspraak op 10 december 2003.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat enkele appellanten niet ontvankelijk waren omdat zij geen geldige vertegenwoordiging konden aantonen of geen rechtstreeks belang hadden bij het besluit. Andere appellanten waren wel ontvankelijk omdat zij eigenaar waren van woningen nabij het ontgrondingsgebied en daardoor een direct belang hadden.
De Raad van State stelde vast dat de vergunning was verleend ondanks dat de planologische medewerking niet formeel was bevestigd en dat de vergunning werd verleend zonder af te wachten op de uitkomsten van het milieueffectrapport (MER). Ook was onvoldoende rekening gehouden met waterhuishoudkundige belangen en de landschappelijke waarde van het gebied. Hierdoor was het besluit niet zorgvuldig voorbereid en ontbrak een deugdelijke motivering. De beroepen van de ontvankelijke appellanten werden gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening voor ontgronding wordt vernietigd wegens strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsvereisten.