ECLI:NL:RVS:2003:AN9263
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- D. Dolman
- J.G.C. Wiebenga
- P.C.E. van Wijmen
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen tijdelijke vergunning voor manege in beschermd natuurmonument
De zaak betreft een beroep van Stichting Ruitercentrum Brunssummerheide tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit die een tijdelijke vergunning verleende voor het exploiteren van een manege in het beschermde natuurmonument De Brunssummerheide. De manege is vergunningplichtig op grond van de Natuurbeschermingswet vanwege de ligging binnen het natuurmonument.
De minister verleende de vergunning voor een periode van vier jaar en verklaarde het bezwaar van appellante deels gegrond en deels ongegrond. Appellante betwistte met name de tijdelijkheid van de vergunning, stellende dat de ammoniakdepositie binnen de bestaande grenzen bleef en dat de erfpachtovereenkomst reeds beperkt was in de tijd.
De Raad van State oordeelt dat het beleid van de minister, dat tijdelijke vergunningen passend zijn bij nadelige gevolgen voor natuurwaarden die niet met voorwaarden kunnen worden ondervangen, niet onredelijk is. De ammoniakdepositie was significant en een individuele beoordeling leidde tot de tijdelijke vergunning. Het standpunt dat de manege verplaatst moet worden om de natuurwaarden te beschermen wordt als redelijk beschouwd.
De Raad van State wijst het beroep af, overweegt dat het besluit niet in strijd is met wettelijke of algemene rechtsbeginselen en dat de belangen van natuurbehoud zwaarder wegen dan de belangen van appellante. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de tijdelijke vergunning voor de manege in het natuurmonument wordt ongegrond verklaard.