ECLI:NL:RVS:2003:AN8348

Raad van State

Datum uitspraak
19 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302786/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.H. Lauwaars
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 WroArt. 26 WroArt. 28 WroArt. 54 WroArt. 56 Wro
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen bedenkingen tegen bestemmingsplan Droste/Thorbeckekwartier

De gemeenteraad van Haarlem stelde op 9 oktober 2002 het bestemmingsplan 'Droste/Thorbeckekwartier' vast, waarna het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland dit plan op 4 maart 2003 goedkeurde. De stichting Landschap, Architectuur en Stedenbouw stelde bij de Raad van State beroep in tegen dit goedkeuringsbesluit.

De kern van het geschil betrof de vraag of de stichting tijdig bedenkingen had ingebracht bij het college van gedeputeerde staten. De termijn voor het indienen van bedenkingen liep af op 28 november 2002. De stichting stelde haar bedenkingen op die datum laat in de avond in de brievenbus van het provinciehuis te hebben gedeponeerd, maar deze werden pas op 2 december geregistreerd.

De Raad van State oordeelde dat de stichting het risico had genomen dat het tijdstip van indiening niet vast te stellen was en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat de bedenkingen tijdig waren ingediend. Omdat ook niet was gebleken dat zij redelijkerwijs niet in staat was geweest om tijdig bedenkingen in te dienen, was het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van de stichting wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van bedenkingen.

Uitspraak

200302786/1.
Datum uitspraak: 19 november 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
De stichting “Stichting Landschap, Architectuur en Stedenbouw”, gevestigd te Haarlem,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Haarlem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 september 2002, het bestemmingsplan "Droste/Thorbeckekwartier" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 maart 2003, kenmerk 2002-43232, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 1 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. J.A. Quispel-Veraart, ambtenaar van de gemeente, gehoord. Appellante is - zonder bericht van afwezigheid - niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college van gedeputeerde staten. Dit is slechts anders voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen.
2.2. De Afdeling stelt vast dat de termijn voor het indienen van bedenkingen afliep op 28 november 2002. Appellante stelt dat zij het poststuk met de bedenkingen op 28 november 2002 omstreeks 22.00 in de brievenbus van het provinciehuis heeft gedeponeerd. De bedenkingen zijn op 2 december 2002 geregistreerd als inkomend poststuk op het provinciehuis. Door haar bedenkingen op bovengenoemde wijze te bezorgen op het provinciehuis heeft appellante het risico genomen dat achteraf niet meer vastgesteld kon worden op welk tijdstip de bedenkingen zijn ingediend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar bedenkingen tijdig heeft ingediend. Haar stelling dat het op het provinciehuis voorkomt dat de poststukken pas daags na de indiening van een registratiedatum worden voorzien, doet hieraan niet af.
2.3. Gelet op het vorenstaande moet het ervoor worden gehouden dat appellante niet binnen de in artikel 27, eerste lid, in samenhang met artikel 26 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven termijn van vier weken bedenkingen heeft ingediend bij het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland. Aangezien het plan is goedgekeurd en niet is gebleken dat appellante redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig bedenkingen in te brengen, kan appellante in verband met het voorgaande aan artikel 28, zevende lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen recht tot het instellen van beroep ontlenen, zodat het beroep van appellante niet-ontvankelijk is.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R. H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Lauwaars w.g. Langeveld
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003
317-459.