ECLI:NL:RVS:2003:AN8329

Raad van State

Datum uitspraak
19 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303257/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering huursubsidie na vertrek uit woning en buitenlandverblijf

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stelde bij besluit van 14 september 1999 de huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 nader vast en vorderde een teveel betaalde huursubsidie terug. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde dat hij de woning vanwege een echtscheiding had verlaten en naar het buitenland was vertrokken, en dat hij de aanvraag niet zelf had ingediend, waardoor de besluiten ten onrechte op zijn naam waren gesteld.

De Raad van State oordeelde dat appellant door ondertekening van het continueringformulier huursubsidie werd geacht de aanvraag te hebben ingediend en dat de besluiten terecht op zijn naam stonden. Appellant had de verplichting om wijzigingen zoals vertrek uit de woning en verblijf in het buitenland te melden, wat hij niet had gedaan. De Staatssecretaris mocht ervan uitgaan dat het opgegeven correspondentieadres juist was en dat het besluit correct was bezorgd.

De rechtbank had daarom terecht artikel 6:11 Awb Pro niet van toepassing geacht, waardoor geen sprake was van verschoonbare termijnoverschrijding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een vergoeding van schade werd niet toegewezen en proceskostenveroordeling werd uitgesloten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van huursubsidie bevestigd.

Uitspraak

200303257/1.
Datum uitspraak: 19 november 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 8 april 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 september 1999 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 nader vastgesteld op ƒ 696,00/€ 315,83 en de over dit tijdvak teveel betaalde huursubsidie ten bedrage van ƒ 3.240,00/€ 1.470,25 teruggevorderd.
Bij besluit van 31 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 8 april 2003, verzonden op 11 april 2003, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 juli 2003 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2003, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Stevens, advocaat te Den Haag, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1.1. Bij een ten name van appellant gesteld continueringformulier individuele huursubsidie van 10 juni 1996 is voor het tijdvak 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 huursubsidie aangevraagd ten behoeve van de huur van de woning gelegen aan [locatie] te [plaats].
2.1.2. Bij besluit van 22 november 1996 is aan appellant voor genoemd tijdvak huursubsidie toegekend. Bij besluit van 14 september 1999 heeft de Staatssecretaris de huursubsidie over dat tijdvak nader vastgesteld en de teveel betaalde huursubsidie teruggevorderd.
Naar aanleiding van een op 14 juni 2001 ontvangen dwangbevel heeft appellant op 26 juni 2001 tegen dit laatste besluit bezwaar gemaakt.
2.2. Appellant heeft vanwege een echtscheiding de woning per 1 augustus 1996 verlaten en is op 28 december 1999 uit Kaap Verdië teruggekeerd. Hij bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat op hem met betrekking tot deze huursubsidieaanvraag de verplichting rustte om zijn scheiding en het vertrek naar het buitenland kenbaar te maken aan de Staatssecretaris, omdat de aanvraag niet door hem was ingediend en de besluiten van 22 november 1996 en 14 september 1999 ten onrechte op zijn naam zijn gesteld. Voorts bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank dat door zijn toedoen niet is vast te stellen of het besluit van 14 september 1999 wel op het juiste adres is aangekomen en dat als gevolg van nalatigheid van zijn kant geen sprake kan zijn van verschoonbare termijnoverschrijding.
2.3. Dit betoog faalt. Uit de ondertekening met [naam] van het continueringformulier individuele huursubsidie, moest de Staatssecretaris aannemen dat deze aanvraag door appellant, die ten tijde van de indiening van dat formulier trouwens nog niet duurzaam gescheiden leefde, was ingediend en de besluiten van 22 november 1996 en 14 september 1999 op naam van appellant stellen.
2.4. Appellant, aan wie eerder huursubsidie was toegekend, diende - uit de bij de eerdere aanvragen om huursubsidie behorende informatie, waarvan hij geacht mag worden kennis te hebben genomen - te weten dat op hem de verplichting rustte onmiddellijk de gegevens welke van belang zijn voor de vaststelling van het recht op de bijdrage over een bepaald tijdvak, ter kennis van de Staatssecretaris te brengen. Appellant heeft nagelaten maatregelen te treffen ter zake van het beheer van zijn post en zijn vertrek uit de woning aan de Staatssecretaris te melden. Een bestuursorgaan mag er in beginsel van uitgaan dat een opgegeven correspondentieadres juist is. Vast staat dat appellant van zijn vertrek naar het buitenland geen bericht aan de Staatssecretaris heeft gestuurd. De Staatssecretaris had ten tijde van het verzenden van het besluit van 14 september 1999 ook geen reden om aan te nemen dat appellant niet meer op het opgegeven correspondentieadres woonachtig zou zijn en mocht er mitsdien van uitgaan dat dit adres juist was. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het aan appellant is toe te rekenen dat hij destijds wellicht geen kennis van het besluit van 14 september 1999 heeft genomen. Vast staat dat dit besluit was voorzien van de juiste tenaamstelling en adressering, zodat niet aannemelijk is dat dit besluit [locatie] niet heeft bereikt
2.5. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank terecht artikel 6:11 van Pro de Awb in dit geval niet van toepassing geacht.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond, de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Gelet hierop kan de vordering van appellant tot vergoeding van schade niet aan de orde komen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Sparreboom
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003
195-209.