ECLI:NL:RVS:2003:AN7940
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- K. Brink
- L.J. Können
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij ernstige bodemverontreiniging en saneringsplicht
Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland vastgesteld dat op bepaalde kadastrale percelen, waaronder gedeeltelijk het perceel van verzoeker, sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Tevens is bepaald dat de sanering urgent is en uiterlijk twee jaar na het besluit moet aanvangen.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek behandeld op 20 oktober 2003, waarbij ook een derde belanghebbende is gehoord.
De Voorzitter oordeelt dat de contour van de bodemverontreiniging op juiste wijze is vastgesteld op basis van een milieukundig rapport en dat het feit dat slechts een klein deel van het perceel van verzoeker binnen deze contour valt, geen reden is om het besluit te schorsen. Ook de door verzoeker aangevoerde waardedaling en kadastrale registratie zijn niet relevant voor de rechtmatigheid van het besluit.
Gelet op de urgentie van de sanering en de toelichting dat de sanering niet eerder dan medio oktober 2004 zal starten, ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.