ECLI:NL:RVS:2003:AN7882

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302989/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Drank- en Horecawet
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens waardedaling pand door vergunning Drank- en Horecawet

Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht om vergoeding van schade die zij stelde te hebben geleden door de aan een derde verleende vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet. Het college wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar, maar verklaarde het bezwaar alsnog ongegrond en bepaalde dat haar uitspraak in de plaats trad van het bestreden besluit.

Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de waardedaling van haar pand niet werd veroorzaakt door de vergunning, maar door de wijze van exploitatie van het gemeenschapshuis door de vergunninghouder. De Raad van State overwoog dat de inhoud van de verleende vergunning niet afwijkt van de vorige vergunning en dat aan de vergunning geen voorwaarden kunnen worden verbonden over de exploitatie.

De waardedaling is daardoor niet het directe gevolg van de vergunning, zodat het vereiste causale verband ontbreekt. De rechtbank heeft de zaak dan ook terecht niet terugverwezen naar het college. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200302989/1.
Datum uitspraak: 12 november 2003.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 26 maart 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellante om vergoeding van de door haar geleden schade in verband met de aan [vergunninghouder] verleende vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet voor de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 19 februari 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 maart 2003, verzonden op 31 maart 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het bezwaar alsnog ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 12 juni 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2003, waar appellante in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door L.P.M. Hoendervangers en F.C.P. de Vries, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen reden is haar verzoek om schadevergoeding in te willigen, omdat de door haar gestelde waardedaling van het pand [locatie] haar oorzaak niet vindt in de aan [vergunninghouder] verleende vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet, maar in de wijze waarop [vergunninghouder] het gemeenschapshuis, waarin de inrichting is gevestigd, sinds de vergunningverlening exploiteert. Appellante meent dat de rechtbank de zaak had moeten terugwijzen naar het college, opdat de hoogte van de door haar geleden schade alsnog kon worden vastgesteld.
2.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de inhoud van de aan [vergunninghouder] verleende vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet niet afwijkt van de aan de vorige beheerder van het gemeenschapshuis verleende vergunning. Slechts de tenaamstelling van de vergunning is gewijzigd. Verder kunnen aan de vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet geen voorwaarden worden verbonden ten aanzien van de wijze van exploitatie van het gemeenschapshuis. Dat het gemeenschapshuis door [vergunninghouder] op een andere wijze wordt geëxploiteerd dan door de vorige beheerder is, anders dan appellante betoogt, derhalve niet het rechtstreekse gevolg van deze vergunning.
Gezien het vorenstaande is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de door appellante gestelde waardedaling van het pand [locatie] haar oorzaak niet vindt in de vergunning als zodanig en dat reeds hierom geen reden bestaat voor inwilliging van het verzoek om schadevergoeding. Het voor toekenning van schadevergoeding vereiste causale verband tussen de schadeveroorzakende handeling en de gestelde schade ontbreekt immers. Gelet hierop heeft de rechtbank de zaak dan ook terecht niet teruggewezen.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Bastein
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003.
13.