ECLI:NL:RVS:2003:AM5476

Raad van State

Datum uitspraak
29 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302818/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E.M.H. Hirsch Ballin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WoningwetArt. 40 WoningwetArt. 3 Besluit bouwvergunningsvrije bouwwerkenArt. 20 Wet op de Ruimtelijke Ordening
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over vergunningvrije plaatsing afvalcontainers in gemeenteplantsoen

Appellante maakte bezwaar tegen het plaatsen van drie afvalcontainers in het gemeenteplantsoen tegenover haar woning zonder bouwvergunning. Het college van burgemeester en wethouders van Breda verklaarde de bezwaren aanvankelijk niet-ontvankelijk, maar herzag dit later en weigerde handhavend op te treden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

De Raad van State overweegt dat de containers op 31 oktober 2000 zonder vergunning zijn geplaatst, maar vanaf 1 januari 2003 vergunningvrij zijn volgens artikel 43 van Pro de Woningwet en het Besluit bouwvergunningsvrije bouwwerken. De containers voldoen aan de criteria voor vergunningvrij bouwen omdat zij onder de maximale hoogte en oppervlakte blijven.

Appellante stelde dat de containers samen één bouwwerk vormen en dus niet vergunningvrij zijn, maar de Raad oordeelt dat het drie afzonderlijke bouwwerken betreft. Ook het argument dat dit zou leiden tot onbeperkte plaatsing van vergunningvrije bouwwerken faalt, omdat het bestemmingsplan buiten toepassing blijft voor vergunningvrij bouwen en instemming van de zakelijk rechthebbende vereist is.

De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200302818/1.
Datum uitspraak:29 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 21 maart 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
1. Procesverloop
Appellante heeft bij brieven van 5 november 2000 bezwaren gemaakt tegen het plaatsen van drie afvalcontainers in het gemeenteplantsoen tegenover haar woning.
Bij besluit van 16 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) die bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 21 januari 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 16 juli 2001 herroepen en alsnog geweigerd om tot handhavend optreden over te gaan.
Bij uitspraak van 21 maart 2003, verzonden op 25 maart 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 juni 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2003, waar appellante in persoon, en het college, vertegenwoordigd door F.A.C. Kanters, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet in geschil is dat de drie afvalcontainers op 31 oktober 2000 zijn neergezet zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning, zodat het college bevoegd was hiertegen handhavend op te treden.
2.2. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals deze bepaling per 1 januari 2003 luidt, en voorzover thans van belang, is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Besluit) - de hiervoor bedoelde algemene maatregel van bestuur - dat op 1 januari 2003 in werking is getreden, wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de wet aangemerkt het bouwen van een container voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1. de hoogte van de container, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 2 m, en
2. indien de container bovengronds wordt geplaatst: de bruto-oppervlakte minder is dan 4 m2.
Ingevolge artikel 20 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals deze bepaling sinds 15 augustus 2002 luidt, blijven de voorschriften van het bestemmingsplan buiten toepassing voor zover deze:
a. betrekking hebben op het bouwen waarvoor krachtens artikel 43, eerste lid, van de Woningwet, geen bouwvergunning vereist is, of
b. betrekking hebben op het gebruik van bouwwerken en standplaatsen dat voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet.
2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzonder geval kan onder andere worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering.
2.4. Vaststaat dat de afvalcontainers met ingang van 1 januari 2003 vergunningvrij zijn. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de hierboven vermelde regelgeving, met juistheid overwogen dat ten tijde van de beslissing op bezwaar van 21 januari 2002 concreet zicht op legalisering aanwezig was en dat van het college redelijkerwijze niet kan worden verlangd handhavend op te treden tegen de containers. Daaraan kan niet afdoen dat het college blijkens de beslissing op bezwaar daarbij, naar achteraf is komen vast te staan, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze nieuwe regelgeving reeds op 1 juli 2002 in werking zou treden.
2.5. Appellante betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de containers als afzonderlijke bouwwerken moeten worden beschouwd. Volgens appellante vormen de containers één inzamel-unit en aldus één bouwwerk en vallen ze daarom niet in de categorie vergunningvrije bouwwerken. Dit betoog faalt. Twee van de afvalcontainers zijn 1.40 meter breed, 1.61 meter hoog en 1.98 meter diep en één afvalcontainer is 0.84 meter breed, 1.26 meter hoog en 1.38 meter diep. Zij zijn naast elkaar geplaatst met een tussenruimte van gemiddeld 60 centimeter waar losse stenen zijn neergelegd. Deze stenen zijn bedoeld als opstapje voor de containers. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van drie afzonderlijke bouwwerken die ieder op zich voldoen aan de eisen als gesteld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit.
2.6. Ten slotte kan de Afdeling appellante niet volgen in haar betoog dat het oordeel van de rechtbank leidt tot de slotsom dat het een ieder is toegestaan overal in strijd met het bestemmingsplan een onbeperkt aantal vergunningvrije bouwwerken te plaatsen. Dit betoog gaat eraan voorbij dat er in artikel 20 van Pro de WRO in is voorzien dat de voorschriften van het bestemmingsplan buiten toepassing blijven als deze betrekking hebben op bouwen waarvoor krachtens artikel 43, eerste lid, van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist. Dit bouwen zal slechts kunnen geschieden met instemming van de zakelijk rechthebbende op de gronden waarop de bouw en het gebruik van dergelijke vergunningvrije bouwwerken zijn voorzien.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Van Meurs-Heuvel
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003
47-398.