ECLI:NL:RVS:2003:AM5474

Raad van State

Datum uitspraak
29 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302772/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verlenging begunstigingstermijn dwangsommen door college van burgemeester en wethouders van Bergeijk

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellanten tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, die op 21 maart 2003 het beroep van appellanten ongegrond verklaarde. Appellanten hadden verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn die was verbonden aan de dwangsommen opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk. Het college had op 4 september 2002 dit verzoek afgewezen, waarna appellanten bezwaar maakten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college in redelijkheid had kunnen besluiten om de termijn niet te verlengen.

De Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat de voorzieningenrechter terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat nader onderzoek niet nodig was. Appellanten hadden in hun beroepschrift om uitstel gevraagd voor het indienen van een nadere motivering, maar de Raad oordeelt dat dit niet in de weg staat aan de toepassing van het artikel. De voorzieningenrechter heeft de vraag of het college de weigering om de termijn te verlengen in stand kon laten, correct beoordeeld.

De Raad concludeert dat de begunstigingstermijn van 12 weken voor het verwijderen van de illegale bergingen niet onredelijk kort was. Het college had appellanten al tegemoetgekomen door de termijn eerder te verlengen. De Raad van State oordeelt dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Uitspraak

200302772/1.
Datum uitspraak: 29 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant sub 1], wonend te [woonplaats], [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], [appellant sub 3], wonend te [woonplaats] en [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 21 maart 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk (hierna: het college) het verzoek van appellanten om de begunstigingstermijn, verbonden aan de bij besluit van 5 maart 2002 opgelegde dwangsommen, (nogmaals) te verlengen met enkele maanden, afgewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 2 januari 2003 heeft het college de onder meer door appellanten daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het onder meer door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 28 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 18 juni 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2003, waar appellanten vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Princen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten stellen dat de voorzieningenrechter geen toepassing mocht geven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nu zij in het beroepschrift uitstel hadden gevraagd voor het indienen van een nadere motivering totdat op het verzoek om voorlopige voorziening was beslist.
Dit betoog faalt. Het enkele feit dat appellanten gelegenheid wensten hun op zichzelf al gemotiveerde beroepschrift aan te vullen staat aan toepassing van artikel 8:86 van de Awb niet in de weg. Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, kan worden toegepast indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van die wet, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het gaat erom of de informatie die schriftelijk en ter zitting is verkregen van dien aard is, dat mag worden aangenomen dat het verrichten van nader onderzoek in dat opzicht geen relevante nieuwe gegevens zou opleveren. Niet aannemelijk is dat op grond van het verzoek om voorlopige voorziening, het beroepschrift en de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting de voorzieningenrechter ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
2.2. Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij de beslissing op bezwaar ten onrechte is voorbijgegaan aan het betoog van appellanten dat hun bezwaren mede waren gericht tegen de dwangsombesluiten van 5 maart 2002, waarbij zij een beroep hebben gedaan op artikel 6:11, van de Awb.
2.2.1. Dit betoog faalt. Appellanten hebben genoemd betoog eerst op de zitting voor de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften naar voren gebracht. Uit de door appellanten tegen het besluit van 4 september 2002 ingediende bezwaarschriften valt op geen enkele wijze af te leiden dat deze bezwaarschriften mede waren gericht tegen de dwangsombesluiten van 5 maart 2002. Het college heeft het betoog bij de beoordeling van de beslissing op bezwaar dan ook buiten beschouwing kunnen laten. Mitsdien heeft de voorzieningenrechter terecht slechts de vraag beoordeeld of het college in redelijkheid de weigering om de termijn, waarbinnen aan de last onder dwangsom moet worden voldaan, te verlengen, in stand heeft kunnen laten.
2.3. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De in de dwangsombesluiten gestelde begunstigingstermijn van 12 weken voor het verwijderen van de illegale bergingen is niet onredelijk kort om aan de last te kunnen voldoen. Het college is appellanten reeds tegemoet gekomen door de begunstigingstermijn bij besluit van 10 juni 2002 te verlengen tot 1 oktober 2002. Nadien is de termijn nogmaals verlengd. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat in de omstandigheid dat op de bezwaren ten aanzien van soortgelijke bergingen nog niet onherroepelijk is beslist, voor het college geen grond was gelegen de termijn nogmaals te verlengen, nu de rechtmatigheid van de dwangsombesluiten van 5 maart 2002, en daarmee de bevoegdheid van het college tot effectuering daarvan, in rechte vaststaat.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003
17-422.