ECLI:NL:RVS:2003:AM5395

Raad van State

Datum uitspraak
23 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200306646/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Boll
  • S. Scheerhout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens overtreding milieuvergunning

Bij besluit van 26 augustus 2003 legde het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen aan verzoekster een last onder dwangsom op vanwege overtreding van de milieuvergunning van 12 juni 1995. De last verplichtte verzoekster de hoeveelheid opgeslagen hoog visceuse K2 en K3 producten in opslagruimten B en C terug te brengen tot maximaal 50.000 kg en de hoeveelheid K1 producten in opslagruimte E tot maximaal 10.000 kg. Bij niet-naleving binnen zes weken zou een dwangsom van € 1.000 per dag, tot maximaal € 25.000, worden opgelegd.

Verzoekster maakte bezwaar en verzocht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening. Zij stelde onder meer dat het vertrouwensbeginsel was geschonden, dat de vastgestelde hoeveelheden producten onjuist waren omdat deze op schattingen waren gebaseerd, en dat de opslag van milieugevaarlijke stoffen legaliseerbaar was.

De Voorzitter oordeelde dat er onvoldoende gronden waren om het vertrouwensbeginsel te laten prevaleren en achtte het aannemelijk dat de overschrijding van de toegestane hoeveelheden had plaatsgevonden, mede gelet op de vastgestelde hoeveelheid van 100.000 kg tegenover de toegestane 50.000 kg. Ook was niet gebleken dat de opslag van milieugevaarlijke stoffen was gelegaliseerd. Daarom wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van de milieuvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200306646/1.
Datum uitspraak: 23 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2003, kenmerk 03-13.870-MOW/RR, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de aan haar bij besluit van 12 juni 1995 verleende milieuvergunning.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 6 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 oktober 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door W.A. ter Wal en H. Kiers, beiden ambtenaren bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De opgelegde last houdt het volgende in. De gezamenlijke hoeveelheid hoog visceuse K2 en K3 producten, al dan niet irriterend, in de opslagruimten B en C moet worden teruggebracht tot een hoeveelheid van maximaal 50.000 kg. De hoeveelheid K1 producten in opslagruimte E moet worden teruggebracht tot een maximum van 10.000 kg. Indien niet binnen zes weken voldaan wordt aan deze last, verbeurt verzoekster een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00.
2.2. Blijkens de bij besluit van 12 juni 1995 verleende vergunning behorende tekening mag in opslagruimte B maximaal 50.000 kg. hoog visceuse K2 en K3 producten worden opgeslagen. In opslagruimte C mogen slechts zogenoemde niet-WMS gecodeerde stoffen worden opgeslagen. Blijkens het bestreden besluit is, in afwijking van de vergunning, door verweerder toegestaan dat in de ruimten B en C een hoeveelheid van 50.000 kg. wordt opgeslagen. Bij het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende controlebezoek van 2 juli 2003 is verweerder gebleken dat in de opslagruimten B en C een hoeveelheid van 100.000 kg. producten, waaronder een grote hoeveelheid corrosieve en milieuschadelijke stoffen, aanwezig was. In ruimte E lag 10.000 à 15.000 kg. K1 producten opgeslagen.
2.3. Verzoekster voert aan dat verweerder bij haar de stellige indruk heeft gewekt dat de door haar gedane voorstellen naar aanleiding van de vooraankondiging van bestuursdwang door verweerder zouden worden geaccepteerd. In verband hiermee is naar mening van verzoekster het vertrouwensbeginsel door verweerder geschaad.
Verzoekster stelt voorts dat wat betreft de hoeveelheden opgeslagen producten in de ruimten B, C en E geen sprake is van overtreding van de vergunning. Verweerder heeft bij zijn controlebezoek van 2 juli 2003 ten onrechte volstaan met een schatting van de hoeveelheid opgeslagen producten. Daarbij, zo stelt verzoekster, is het, gelet op de grootte van de opslagruimten, niet mogelijk dat de door verweerder vastgestelde hoeveelheden lagen opgeslagen. Verzoekster heeft op 29 augustus 2003 aan de hand van haar administratie vastgesteld dat de vergunde hoeveelheden opgeslagen product in de opslagruimten B, C en E niet worden overschreden. Verzoekster erkent tot slot dat in strijd met de vergunning milieugevaarlijke en corrosieve stoffen worden opgeslagen. Zij stelt echter dat verweerder van handhaving had moeten afzien nu de opslag hiervan legaliseerbaar is. Zij wijst er op dat binnen de opslagruimten B en C het voor deze stoffen aanbevolen beschermingsniveau 3 als bedoeld in de richtlijn van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen, getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingmiddelen in emballage, opslag in grote hoeveelheden" (hierna: CPR 15-2) aanwezig is.
2.4. De Voorzitter overweegt als volgt.
Hij ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door verzoekster gestelde schending van het vertrouwensbeginsel, wat hier ook van zij, zou moeten leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Wat betreft de door verzoekster betwiste hoeveelheden opgeslagen producten in de ruimten B, C en E heeft verweerder zich blijkens het verhandelde ter zitting bij de vaststelling daarvan gebaseerd op schattingen en foto’s. Verzoekster kon tijdens het controlebezoek, zo heeft verweerder onweersproken gesteld, desgevraagd geen inzicht bieden in de opgeslagen hoeveelheden product. De Voorzitter acht het in zijn voorlopige beoordeling, gelet op het vorenstaande, aannemelijk dat in de opslagruimten B en C een overschrijding van de toegestane hoeveelheid producten heeft plaatsgevonden. Hij neemt daarbij in aanmerking de omstandigheid dat de maximaal toegestane hoeveelheid in de opslagruimten B en C 50.000 kg. bedraagt en door verweerder een hoeveelheid van 100.000 kg. is geconstateerd. Een eventuele afwijking op grond van schattingen kan, gelet hierop, naar het oordeel van de Voorzitter niet leiden tot de conclusie dat geen overschrijding plaats heeft gevonden. De Voorzitter ziet ook wat betreft de door verweerder geconstateerde hoeveelheid opgeslagen producten in ruimte E onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de wijze van vaststelling hiervan zou moeten leiden tot de conclusie dat geen sprake zou zijn geweest van een overschrijding.
Niet in geschil is voorts dat de opslag van corrosieve en milieugevaarlijke stoffen binnen de opslagruimten B en C niet is vergund en dat dit wel plaatsvindt. Voorzover verzoekster aanvoert dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhaving omdat deze overtreding legaliseerbaar is, overweegt de Voorzitter dat, nog daargelaten de vraag of in de ruimten B en C een beschermingsniveau aanwezig is als aanbevolen in de CPR 15-2 voor de opslag van de betreffende producten, hij geen aanwijzingen heeft dat een vergunning is aangevraagd.
De Voorzitter ziet, in afwachting van de te nemen beslissing op bezwaar, geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.
2.5. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Scheerhout
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2003
318.