ECLI:NL:RVS:2003:AM2459

Raad van State

Datum uitspraak
22 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303047/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • C. Sparreboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing toevoeging rechtsbijstand

Appellante had drie aanvragen om toevoeging in de zin van de Wet op de rechtsbijstand ingediend die door het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam op 8 december 1998 waren afgewezen. De raad verklaarde het daartegen ingestelde beroep op 31 mei 1999 ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze uitspraak op 4 april 2003 niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De raad had het eerdere besluit van 31 mei 1999 op 23 september 1999 ingetrokken en op 4 december 2000 een nieuw besluit genomen, waartegen ook beroep was ingesteld en ongegrond verklaard door de rechtbank. Het hoger beroep tegen die uitspraak was niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante voerde aan dat zij nog belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het ingetrokken besluit omdat zij schadevergoeding had gevorderd, hetgeen door de rechtbank was miskend. De Raad van State stelde vast dat van een vordering tot schadevergoeding niets was gebleken en dat het procesbelang was komen te vervallen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 22 oktober 2003 in het openbaar gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.

Uitspraak

200303047/1.
Datum uitspraak: 22 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 4 april 2003 in het geding tussen:
appellante
en
de raad voor rechtsbijstand Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 8 december 1998 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam drie aanvragen van appellante om toevoeging in de zin van de Wet op de rechtsbijstand afgewezen.
Bij besluit van 31 mei 1999 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 april 2003, reg.nr. AWB 99/7345 WRB, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 juni 2003 heeft de raad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2003, waar de raad is verschenen, vertegenwoordigd door M.M.C. Laan, werkzaam bij de raad.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 23 september 1999 heeft de raad vorenbedoeld besluit van 31 mei 1999 ingetrokken. Bij besluit van 4 december 2000 met zaaknummers 990028 en 980479 heeft de raad onder meer een nieuw besluit genomen op het tegen de besluiten van 8 december 1998 gerichte administratief beroepschrift van appellante. Bij uitspraak van 4 april 2003, AWB 01/533 WRB en 01/534 WRB, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 december 2000 ongegrond verklaard. Het door appellante tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2003, no. 200303052/2, niet-ontvankelijk verklaard.
2.2. Tevergeefs betoogt appellante dat voor haar nog een belang resteert bij een inhoudelijke beoordeling van het ingetrokken besluit van 31 mei 1999, nu door haar wel schadevergoeding is gevorderd, hetgeen de rechtbank heeft miskend.
2.3. Van het feit dat schadevergoeding zou zijn gevorderd, is niet gebleken. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geoordeeld dat met de besluiten van 23 september 1999 en 4 december 2000, het procesbelang aan het, tegen het besluit van 31 mei 1999 ingestelde, beroep is komen te ontvallen en het beroep bij gebreke aan procesbelang terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Sparreboom
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2003
195-209.