ECLI:NL:RVS:2003:AM2383

Raad van State

Datum uitspraak
22 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200204572/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WPOArt. 6:18 AwbArt. 8:73 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verwijdering leerling van openbare basisschool en afwijzing schadevergoeding

Appellanten maakten bezwaar tegen het besluit van de gemeente Heerlen om hun dochter definitief te verwijderen van de openbare basisschool, tenzij binnen acht weken een andere school werd gevonden. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk onterecht en vernietigde het besluit, waarna het college een nieuw besluit nam waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Uit de rapportages en observaties blijkt dat het gedrag van de dochter verwijdering rechtvaardigt en dat het college aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan door te zorgen voor plaatsing op andere scholen. Hoewel de dochter vooruitgang boekte op een andere school, plaatsten appellanten haar eigenmachtig op een school in Sittard.

De Raad oordeelt dat het besluit tot definitieve verwijdering rechtmatig is en dat het college het verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding terecht heeft afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot definitieve verwijdering van de leerling wordt bevestigd.

Uitspraak

200204572/1.
Datum uitspraak: 22 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 1 juli 2002 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2000 heeft het afdelingshoofd Welzijn van de gemeente Heerlen, namens de directeur van de dienst WWS van die gemeente, aangekondigd de dochter van appellanten acht weken na die datum definitief te verwijderen van de openbare basisschool [naam school] te [plaats], tenzij gedurende die acht weken een andere school of instelling wordt gevonden waarnaar de dochter kan worden verwezen.
Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 1 juli 2002, verzonden op 12 juli 2002, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na verzending van de uitspraak, met in achtneming daarvan, een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 20 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college bij besluit van 10 september 2002 het door appellanten tegen het besluit van 25 april 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en hun verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Bij brief van 2 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2003, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. Franssen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO) - voorzover thans van belang - berust de beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen bij het bevoegd gezag.
Ingevolge artikel 40, vijfde lid, hoort het bevoegd gezag, voordat wordt besloten tot verwijdering, de betrokken groepsleraar. Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs bereid is de leerling toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige school of instelling waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de vorige volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.
2.2. Appellanten hebben uitsluitend hoger beroep ingesteld, voorzover de rechtbank heeft overwogen geen uitspraak te kunnen en zullen doen over de door hen in beroep gevraagde schadevergoeding.
2.2.1. Het betoog dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen, faalt echter. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat het college het bezwaar van appellanten ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard - welk oordeel, gegeven de beperking van het hoger beroep van appellanten, thans niet aan de orde is - en het besluit van 16 oktober 2001 in verband daarmee vernietigd. Omdat de gestelde schade zou zijn veroorzaakt door het primaire besluit van 25 april 2000, was op het daartegen gemaakte bezwaar nadere besluitvorming vereist. Op de uitkomst daarvan kon de rechtbank niet vooruitlopen en derhalve heeft zij het op artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gebaseerde verzoek om schadevergoeding terecht niet ingewilligd.
2.2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voorzover aangevallen, te worden bevestigd.
2.3. Het besluit van 10 september 2002, waarbij het door appellanten gemaakte bezwaar tegen het besluit van 25 april 2000 ongegrond is verklaard en hun verzoek om schadevergoeding is afgewezen, moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van Pro de Awb, zodat het hoger beroep moet worden geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.
2.3.1. Gelet op de schriftelijke observaties en rapportages over de jaren 1998 tot en met 2000, zowel intern van leerkrachten, als extern van onder meer de “Arbo Management Groep” en “Wickraderheem; centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie”, is geen plaats voor het oordeel dat het college zich, in aanmerking genomen de belangen van leerkrachten, medeleerlingen en de dochter zelf, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gedrag van de dochter verwijdering van [naam school] rechtvaardigt.
Verder kan niet worden geoordeeld dat het college niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Gebleken is immers dat het college ervoor heeft zorg gedragen dat de dochter in de tweede helft van 2000 op de openbare basisschool [naam school] in [plaats] kon worden geplaatst en vanaf 2001 op de openbare basisschool [naam school] in [plaats]. Ofschoon de dochter, volgens een met instemming van appellanten ingestelde commissie van deskundigen en een psychotherapeut, op laatstgenoemde school vooruitgang boekte en gebaat zou zijn bij continuering van haar aanwezigheid aldaar, hebben appellanten hun dochter medio april 2001 niettemin eigener beweging op een school in Sittard geplaatst.
Nu het besluit van 10 september 2002 niet voor vernietiging in aanmerking komt en het daarbij gehandhaafde besluit tot definitieve verwijdering voor rechtmatig moet worden gehouden, heeft het college het verzoek van appellanten om vergoeding van materiële en immateriële schade terecht afgewezen.
2.3.2. Het beroep is ongegrond.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 1 juli 2002, voorzover aangevallen;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2002 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. J.G. Treffers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Meer w.g. Schuurman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2003
282.