ECLI:NL:RVS:2003:AL7581

Raad van State

Datum uitspraak
2 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305819/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Boll
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbHinderwetAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing last onder dwangsom wegens onjuiste toepassing voorschrift stofafzuigsysteem

Verzoekster kreeg op 21 juli 2003 twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Hinderwetvergunning van 18 juni 1986, specifiek met betrekking tot voorschrift 4.3 over het stofafzuigsysteem. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 29 september 2003 en oordeelde dat voorschrift 4.3 niet vereist dat een centraal stofafzuigsysteem binnen de inrichting tegen stofexplosies beveiligd moet zijn, mits het systeem is uitgerust met een flexibele slang en kunststof mondstuk, wat hier het geval was. Verweerder had zich daarom ten onrechte bevoegd geacht om handhavend op te treden.

De Voorzitter besloot het bestreden besluit voor zover het de last wegens overtreding van voorschrift 4.3 betreft te schorsen. Tevens werd het college van burgemeester en wethouders van Oss veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan verzoekster.

Uitkomst: Het besluit tot last onder dwangsom wegens overtreding van voorschrift 4.3 is geschorst en het college is veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

200305819/1.
Datum uitspraak: 2 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Oss,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2003, kenmerk BvHeus4/6332, heeft verweerder aan verzoekster twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de bij besluit van 18 juni 1986 verleende Hinderwetvergunning.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 29 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. H.W. van Noordt Wieringa, advocaat te Groenlo, en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door H.W.J. Staassen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verzoekster kan zich niet verenigen met het bestreden besluit voorzover daarbij een last is opgelegd wegens overtreding van voorschrift 4.3. Zij voert onder meer aan dat zij aan het betreffende voorschrift voldoet.
2.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ingevolge voorschrift 4.3 het binnen de inrichting aanwezige centraal stofafzuigsysteem tegen explosies beveiligd moet zijn. Uit verscheidene controlebezoeken is hem gebleken dat dit niet het geval is. Derhalve heeft verweerder zich bevoegd geacht tot handhaving over te gaan.
2.3. In voorschrift 4.3 is bepaald dat het in de gebouwen en op machines en leidingen neergeslagen stof regelmatig afdoende moet worden verwijderd door middel van een tegen stofexplosies beveiligde stofzuiger, of een centraal stofafzuigsysteem met flexibele slang en kunststof mondstuk.
2.4. Naar het oordeel van de Voorzitter houdt voorschrift 4.3, als middelvoorschrift, geen verplichting voor vergunninghoudster in om, indien een centraal stofafzuigsysteem binnen de inrichting aanwezig is ter verwijdering van neergeslagen stof, dit systeem tegen stofexplosies te beveiligen. Een dergelijk stofafzuigsysteem moet volgens het voorschrift zijn uitgerust met een flexibele slang en mondstuk. Niet in geschil is dat aan deze verplichtingen is voldaan door vergunninghoudster. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat verweerder zich in zoverre ten onrechte bevoegd heeft geacht om tot handhaving over te gaan.
2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit, voorzover dit ziet op de last wegens overtreding van voorschrift 4.3, te schorsen.
2.6. Verweerder dient op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 21 juli 2003, kenmerk BvHeus4/6332, voorzover het de last in verband met voorschrift 4.3 betreft;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oss in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Oss te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de gemeente Oss aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Scheerhout
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2003
318.