ECLI:NL:RVS:2003:AL6445
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging
Appellanten hebben bij besluiten van 10 juli 2001 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de Staatssecretaris van Justitie is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze afwijzing ongegrond. Appellanten stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer in Rwanda gegronde vrees voor vervolging hebben. Daarbij werd bevestigd dat het vertrek uit Rwanda in 1994 niet automatisch duidt op een dergelijke vrees. Ook werden problemen in de Democratische Republiek Congo niet meegewogen omdat deze zich buiten het land van herkomst bevinden en appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Rwanda vervolging te vrezen hebben.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank de motiveringsplicht voldoende heeft vervuld en dat het oordeel van de Staatssecretaris niet onjuist is. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.