200300406/1.
Datum uitspraak: 17 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 11 december 2002 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Hulst.
Bij besluit van 28 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hulst (hierna: het college) aan appellant bouwvergunning geweigerd voor het verbouwen van een woning en schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 22 mei 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 december 2002, verzonden op 11 december 2002, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 maart 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 7 mei 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door M.J.R. van den Broecke en H.A van den Boogert, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2.1. Op het perceel bevindt zich een woning met aangebouwde schuur en overkapping. Het bouwplan voorziet in het vernieuwen en vergroten van de woning door een gedeelte van de schuur te verbouwen tot woning.
2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Tragel” op het perceel rustende bestemming “Erf”.
Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, mogen bestaande bouwwerken die door hun bestaan als zodanig niet voldoen aan de bestemming van het plan gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk worden veranderd, met dien verstande dat:
b. reeds bestaande afwijkingen ten aanzien van het in dit plan bepaalde niet mogen worden vergroot.
2.3. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt en het college gelet daarop bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Voormeld artikel 26, tweede lid, onder b, staat in de weg aan verlening van bouwvergunning, reeds omdat het bouwplan voorziet in een vergroting van de woning. Daargelaten of de aard van de afwijking niet wordt vergroot, zoals appellant stelt, betekent een uitbreiding van de ter plaatse door het bestemmingsplan niet toegelaten woonruimte een vergroting van een reeds bestaande afwijking van dat plan. In de uitspraak van de Afdeling van 12 april 1999, inzake no. H01.98.1224, (AB 1999, 440), waarnaar appellant verwijst, betrof het anders dan in deze zaak een geval waarin het gebruiksovergangsrecht een vergroting van de afwijking naar zijn aard niet toestond. De overige door appellant genoemde uitspraken zijn in dit verband evenmin relevant nu deze, anders dan het voorliggende geval, betrekking hebben op het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik.
2.4. Het betoog van appellant dat voor het bouwplan van rechtswege bouwvergunning is verleend faalt evenzeer. Nu dat bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, staat artikel 46, derde lid, van de Woningwet daaraan in de weg.
2.5. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college vrijstelling ingevolge artikel 25, tweede lid, van de planvoorschriften had moeten verlenen van het in het eerste lid van dat artikel opgenomen algemene gebruiksverbod ziet er, wat daar verder van zij, aan voorbij dat de planvoorschriften niet toestaan dat ter plaatse bebouwing ten behoeve van woondoeleinden wordt opgericht. Een zodanige vrijstelling kan er derhalve niet toe leiden dat die met het bestemmingsplan strijdige situatie wordt opgeheven.
De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college toepassing van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het bouwplan in redelijkheid heeft kunnen weigeren.
2.6. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel faalt evenzeer. Aan de brief van het college van 29 december 1994, waarnaar appellant in dit verband verwijst, heeft hij niet de rechtens te honeren verwachting kunnen ontlenen dat voor het onderhavige bouwplan bouwvergunning zou worden verleend, nu dit bouwplan in betekenende mate afwijkt van het door appellant in 1994 bij het college ingediende schetsplan.
2.7. Appellant heeft ter zitting in hoger beroep gewezen op twee - zijns inziens vergelijkbare - gevallen waarin het college bouwvergunning heeft verleend. Dit eerst in hoger beroep gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, waarvan de juistheid overigens door het college is weersproken, dient wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten.
2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2003