ECLI:NL:RVS:2003:AJ3334

Raad van State

Datum uitspraak
2 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304934/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • L.J. Können
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Wet bodembeschermingArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen onderzoeksbevel Wet bodembescherming

Verzoekster, Vereniging Bizzy Beesel, had een mobiele ijsbaan gehuurd en beschikbaar gesteld voor inwoners van Reuver. Door derden lekte ethyleenglycol, een koelmiddel, uit een kraan bij de ijsbaan in de bodem, wat leidde tot een onderzoeksbevel door het college van gedeputeerde staten van Limburg op grond van de Wet bodembescherming.

Verzoekster maakte bezwaar tegen het onderzoeksbevel en stelde dat zij geen veroorzaker was van de verontreiniging en dat het bevel niet redelijk was opgelegd. Verweerder stelde dat verzoekster wel als veroorzaker moest worden beschouwd en dat het bevel terecht was.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vraag of verzoekster veroorzaker was niet in deze voorlopige voorziening kon worden beantwoord. Omdat verweerder had toegezegd de termijnen van het onderzoeksbevel op te schorten tot na de beslissing op bezwaar, was er geen sprake meer van onverwijlde spoed.

Daarom wees de Voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het onderzoeksbevel werd afgewezen vanwege het ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

200304934/1.
Datum uitspraak: 2 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de vereniging "Vereniging Bizzy Beesel", gevestigd te Reuver,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Limburg,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2003, kenmerk 2003/26144, heeft verweerder onder toepassing van artikel 43, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming aan verzoekster een onderzoeksbevel opgelegd, zoals nader weergegeven onder punt 13 van het besluit.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 24 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 augustus 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. G.C. Kooijman, advocaat te Den Bosch, bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. M. Stienstra, ambtenaar van de provincie,
zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verzoekster heeft voor een periode van 10 dagen in verband met festiviteiten ter gelegenheid van de heropening van de vernieuwde rijksweg een mobiele ijsbaan gehuurd en deze voor algemeen gebruik ter beschikking gesteld aan de inwoners van Reuver. Door toedoen van derden is koelmiddel, met name bestaand uit ethyleenglycol, uit een kraan bij de ijsbaan gelekt en in de bodem terechtgekomen. In het bestreden besluit heeft verweerder verzoekster bevolen een nader onderzoek te verrichten naar de omvang van de verontreiniging van het grondwater. Onder punt 13 van het bestreden besluit is onder meer bepaald dat uiterlijk binnen één maand na inwerkingtreding van het besluit een definitief plan van aanpak bij verweerder moet zijn ingediend en binnen drie maanden een rapportage van dit onderzoek. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd binnen vier maanden na het van kracht worden van het bestreden besluit.
2.2. Verzoekster betoogt – kort samengevat - dat het bevel tot het verrichten van nader onderzoek niet aan haar kan worden opgelegd, omdat zij geen veroorzaker is van de verontreiniging. Zij stelt dat zij door het ter beschikking stellen van de ijsbaan geen handeling heeft verricht als bedoeld in de Wet bodembescherming. Verder betoogt zij dat verweerder het bevel niet in redelijkheid heeft kunnen opleggen.
2.2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster veroorzaker is van de verontreiniging. Verder is hij van mening dat hij in redelijkheid het onderzoeksbevel aan verzoekster heeft kunnen opleggen.
2.2.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 43, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming kunnen, voor zover hier van belang, gedeputeerde staten degene door wiens handelen een onderzoeksgeval of geval van ernstige verontreiniging is veroorzaakt bevelen op de daarbij aangegeven wijze nader onderzoek te verrichten.
2.2.3. De Voorzitter overweegt als volgt. Bepalend voor de vraag of verweerder aan verzoekster een onderzoeksbevel in de zin van art. 43, derde lid, aanhef en onder a van de Wet bodembescherming kon opleggen, is of verzoekster kan worden beschouwd als degene door wiens handelen het onderzoeksgeval is veroorzaakt. De onderhavige procedure leent zich echter niet voor de beantwoording van deze vraag. Mede gelet op de omstandigheden van het geval en het beroep dat de Voorzitter ter zitting op partijen heeft gedaan om tot een minnelijke oplossing te komen, heeft verweerder toegezegd om de onder punt 13 van het bestreden besluit genoemde termijnen op te schorten tot aan het moment van bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Hierdoor is er geen sprake meer van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening zou vereisen.
2.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Können
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2003
301-414.