ECLI:NL:RVS:2003:AI1436
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- E.M.H. Hirsch Ballin
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet tijdig genomen besluit en oplegging dwangsom door Raad van State
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit en het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek had niet tijdig een besluit genomen op dit bezwaar. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had reeds op 20 juni 2003 het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit en dit vernietigd, met de opdracht alsnog binnen vier weken een besluit te nemen.
Verweerder heeft echter geen gevolg gegeven aan deze uitspraak. Appellant stelde daarom beroep in tegen het uitblijven van een besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak en oordeelde dat verweerder gehouden was binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift een besluit te nemen, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor een adviescommissie die een langere termijn zou rechtvaardigen.
De Voorzitter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit, en droeg het college op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Tevens werd een dwangsom van € 225 per dag opgelegd, met een maximum van € 9.000, voor iedere dag dat het besluit uitblijft. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard, het niet tijdig genomen besluit vernietigd, en het college opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom bij uitblijven.