ECLI:NL:RVS:2003:AI1435

Raad van State

Datum uitspraak
19 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304756/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • F.B. van der Maesen de Sombreff
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking gedoogbesluit milieubeheer

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam om een eerder gedoogbesluit, dat spuit- en straalactiviteiten zonder vergunning toestond, in te trekken. Verzoekster vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om het intrekkingsbesluit te schorsen.

De Voorzitter oordeelde dat de intrekking van het gedoogbesluit niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt, omdat het slechts de mogelijkheid tot handhavend optreden inhoudt en geen zelfstandige rechtsgevolgen heeft. Hierdoor is het bezwaar naar verwachting niet-ontvankelijk.

Gezien dit oordeel zag de Voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoekster.

De uitspraak benadrukt de beperkte rechtsbescherming tegen intrekking van gedoogbesluiten en bevestigt dat dergelijke intrekkingen pas rechtsgevolgen krijgen bij concreet handhavend optreden.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van het gedoogbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

200304756/1.
Datum uitspraak: 19 augustus 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij brief van 15 juli 2003, kenmerk MIL 0306504, heeft verweerder zijn besluit van 17 december 2002 waarbij hij onder voorwaarden heeft gedoogd dat in de inrichting van verzoekster zonder vergunning krachtens de Wet milieubeheer spuit- en straalactiviteiten worden uitgevoerd, ingetrokken.
Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 18 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 juli 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. Th. A.G. Vermeulen, advocaat te
Rosmalen, en bijgestaan door [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door L.F. van het Hoofd, C.J. Siemons en F.A.A. van der Lans, allen ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [derde-belanghebbende] daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de wet), voorzover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van deze wet wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2. Bij haar uitspraak van 12 juni 1997, nummer H01.96.0563, heeft de Afdeling, voorzover hier van belang, geoordeeld dat de schriftelijke verklaring dat niet wordt gedoogd in de regel niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de wet kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de beslissing tot intrekking van een gedoogbesluit moet naar het oordeel van de Voorzitter tot eenzelfde oordeel worden gekomen. Evenals de weigering te gedogen houdt een dergelijke beslissing slechts de mogelijkheid in dat het betrokken bestuursorgaan handhavend zal gaan optreden. Eerst wanneer tot handhavend optreden wordt besloten, concretiseert die mogelijkheid zich. Onder die omstandigheden kan aan een beslissing tot intrekking van een gedoogbesluit geen zelfstandige betekenis worden toegekend, behoudens bijzondere gevallen. Het is de Voorzitter niet gebleken dat van een dergelijk geval sprake is.
De Voorzitter komt mitsdien tot het oordeel dat de brief van verweerder van 15 juli 2003 niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de wet kan worden aangemerkt. Naar verwachting zal verweerder het bezwaar van verzoekster dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
2.3. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schiedam in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 429,33, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Schiedam te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de gemeente Schiedam aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van der Maesen de Sombreff
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2003
191-404.