ECLI:NL:RVS:2003:AI1186

Raad van State

Datum uitspraak
13 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303984/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 7:2 AwbArt. 5:22 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom voor overtreding milieuregels schapenhouderij

Bij besluit van 3 december 2002 legde het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe aan verzoeker een last onder dwangsom op wegens overtreding van voorschriften 1.12 en 1.13 van een oprichtingsvergunning voor een schapenhouderij. De dwangsom bedroeg € 500 per week met een maximum van € 5.000.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 8 mei 2003 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verzocht verzoeker de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening, welke op 24 juli 2003 werd behandeld.

De Voorzitter oordeelde dat verweerder had voldaan aan de hoorplicht ondanks het niet verschijnen van verzoeker wegens ziekte. De bevoegdheid tot het opleggen van de last onder dwangsom was correct gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet. De overtredingen waren onbetwist en het college had redelijk gehandeld bij het opleggen van de dwangsom.

Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, waarbij tevens werd overwogen dat het betoog van verzoeker over ongelijke handhaving binnen de gemeente geen grond voor schorsing bood. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

200303984/2.
Datum uitspraak: 13 augustus 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2002 heeft verweerder aan [verzoeker] een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500,00 per week voor overtreding van de voorschriften 1.12 en 1.13 van de bij besluit van 24 november 1997 krachtens de Wet milieubeheer verleende oprichtingsvergunning voor een schapenhouderij. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 5.000,00.
Bij besluit van 8 mei 2003, verzonden op 9 mei 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 17 juni 2003, bij de arrondissementsrechtbank Assen ingekomen op 19 juni 2003, beroep ingediend.
Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep- en verzoekschrift is door de arrondissementsrechtbank Assen met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Raad van State, waar het op 20 juni 2003 is ingekomen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juli 2003, waar verzoeker in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J. de Muinck, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoeker betoogt dat de hoorzitting over zijn bezwaarschrift is doorgegaan ondanks bericht van verhindering van zijn kant.
Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt het bestuursorgaan, voordat op het bezwaar wordt beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
De door verweerder ingestelde commissie van advies voor de bezwaarschriften heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van verzoeker op 18 maart 2003 een hoorzitting gehouden. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om hier te worden gehoord. De Voorzitter overweegt dat verweerder hiermee heeft voldaan aan artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daaraan kan niet afdoen dat verzoeker wegens ziekte niet is verschenen. Het behoort immers tot de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker om bij verhindering zorg te dragen voor de behartiging van zijn belangen. Deze grond treft geen doel.
2.3. Artikel 5:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts bestaat indien zij bij of krachtens de wet is toegekend.
Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Ingevolge voorschrift 1.12 van de geldende oprichtingsvergunning mag het weiland direct grenzend aan de inrichting uitsluitend worden gebruikt voor het weiden van de schapen. Het (tijdelijk) stallen van materialen en werktuigen is hier niet toegestaan.
Ingevolge voorschrift 1.13 van deze vergunning is het verboden materialen, machines e.d. binnen de inrichting op te slaan, die niet noodzakelijk zijn voor het houden van schapen.
2.4. Onbetwist is dat ten tijde van het besluit van 3 december 2002 en het bestreden besluit de voorschriften 1.12 en 1.13 van de geldende oprichtingsvergunning werden overschreden. Verweerder was derhalve bevoegd een last onder dwangsom op te leggen.
2.5. In het betoog van verzoeker dat hij al veel materiaal en machines heeft afgevoerd, ziet de Voorzitter, wat daarvan ook zij, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van de bestreden last onder dwangsom.
2.6. Ook het betoog van verzoeker dat door verweerder elders binnen de gemeente niet wordt opgetreden tegen illegale activiteiten, levert geen grond op voor schorsing van het bestreden besluit, nu niet is gebleken dat het terzake gaat om inrichtingen en activiteiten die kunnen gelden als gelijke gevallen.
2.7. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. De Vink
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003
154-396.