ECLI:NL:RVS:2003:AI1034

Raad van State

Datum uitspraak
13 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200301257/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W. Konijnenbelt
  • W. van Hardeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen last onder dwangsom wegens overtreding milieuregels restaurant afgewezen

Verweerder heeft aan appellanten, exploitanten van het restaurant “Teppan Yaki & Sushi Bar Kobe House”, een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van een milieureglement. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend.

Appellanten voerden aan dat zij nooit een kennisgeving van de aangetekende brief hadden ontvangen, maar de Raad van State stelde vast dat PTT Post een kennisgeving van geen gehoor op het adres van appellanten had achtergelaten. Hierdoor begon de termijn voor het indienen van bezwaar te lopen en was het bezwaar van appellanten te laat.

De Raad van State oordeelde dat de gevolgen van het niet afhalen van de aangetekende brief voor risico van appellanten komen en dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 augustus 2003.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom is ongegrond verklaard vanwege te laat ingediend bezwaar.

Uitspraak

200301257/1.
Datum uitspraak: 13 augustus 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de vennootschap onder firma "Teppan Yaki & Sushi Bar Kobe House", gevestigd te Amsterdam, en [appellanten], allen wonend te Amsterdam,
appellanten,
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft verweerder aan [appellanten], als exploitanten van het restaurant “Teppan Yaki & Sushi Bar Kobe House”, een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 225,00 per dag voor overtreding van voorschrift 1.1.1 uit Bijlage B van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen millieubeheer. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 6.750,00.
Bij besluit van 12 december 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 6 augustus 2002 gehandhaafd.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 januari 2003, bij de arrondissementsrechtbank Amsterdam ingekomen op 21 januari 2003, beroep ingediend. Het beroepschrift is door de arrondissementsrechtbank Amsterdam met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Raad van State, waar het op 27 februari 2003 is ingekomen.
Bij brief van 14 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten kunnen zich er niet mee verenigen dat verweerder hen niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellanten betogen dat zij nooit een bericht van PTT-Post hebben ontvangen ertoe strekkende dat een voor hen bestemde aangetekende brief op het postkantoor kon worden afgehaald. Verder betogen appellanten dat het belang van verweerder bij handhaving van de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift ondergeschikt is aan het belang dat appellanten hebben bij behandeling van het bezwaarschrift.
2.2. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover relevant, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen.
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.3. Uit de stukken blijkt dat verweerder het besluit van 6 augustus 2002 op 7 augustus 2002 per aangetekende post naar het adres van appellanten heeft verzonden. PTT Post heeft deze aan appellanten gerichte brief aan verweerder geretourneerd omdat deze niet is afgehaald. Verder blijkt uit de stukken dat op de enveloppe waarin het bestreden besluit aangetekend is verzonden een aantekening is gemaakt dat een kennisgeving van geen gehoor is achtergelaten op het adres van appellanten.
De Afdeling stelt, gezien het vorenstaande, vast dat het er voor moet worden gehouden dat door PTT Post op het adres van appellanten daadwerkelijk een kennisgeving van geen gehoor is achtergelaten. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd verder geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van het niet afhalen van de per aangetekende post verzonden brief niet voor hun risico zijn.
Gezien het vorenstaande moet er van uit worden gegaan dat de bezwaartermijn is aangevangen op 8 augustus 2002. Het door appellanten bij brief van 14 oktober 2002 ingediende bezwaar is derhalve te laat ingediend. Aangezien, zoals hiervoor is overwogen, de gevolgen van het niet afhalen van de per aangetekende post verzonden brieven voor risico van appellanten komen, is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geen sprake. De stelling van appellanten dat het belang van verweerder bij handhaving van de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift ondergeschikt is aan het belang van appellanten bij de behandeling van het bezwaarschrift, doet hier niet aan af. Verweerder heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.4. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003
312-396.