ECLI:NL:RVS:2003:AI1026

Raad van State

Datum uitspraak
13 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200300868/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W. Konijnenbelt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18.14 Wet milieubeheerArt. 20.1 Wet milieubeheerArt. 20.13 Wet milieubeheer
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar handhavingsverzoek varkenshouderij

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Uden om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen met betrekking tot een varkenshouderij op een perceel te een plaats. Dit verzoek werd bij besluit van 27 augustus 2002 afgewezen. Vervolgens verklaarde verweerder het bezwaar van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk. Appellant stelde dat hij als belanghebbende kon worden aangemerkt omdat hij het verzoek op grond van artikel 18.14 Wet milieubeheer had ingediend en geadresseerde was van het afwijzende besluit.

De Raad van State oordeelde dat appellant inderdaad belanghebbende is in de zin van artikel 20.13 Wet milieubeheer omdat hij een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en rechtstreeks belang heeft bij het verzoek om handhavingsmaatregelen. Verweerder had ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit was daarmee in strijd met de wet genomen.

De Raad van State verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van 7 januari 2003 en veroordeelde het college van burgemeester en wethouders van Uden tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan appellant. Het beroep werd verder niet inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 7 januari 2003 wordt vernietigd wegens ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

Uitspraak

200300868/1.
Datum uitspraak: 13 augustus 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Uden,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de varkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.
Bij besluit van 7 januari 2003, verzonden op 9 januari 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 29 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W.A.E. Braam, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant kan zich er niet mee verenigen dat verweerder hem niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellant betoogt dat hij, omdat hij met gebruikmaking van artikel 18.14 van de Wet milieubeheer verzocht heeft handhavingsmiddelen toe te passen en geadresseerde is van het afwijzende besluit van 27 augustus 2002, belanghebbende is bij het bestreden besluit.
2.2. Verweerder heeft de niet-ontvankelijkverklaring gebaseerd op artikel 20.13 van de Wet milieubeheer. Hij stelt dat alleen degene die een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en rechtstreeks belang heeft bij het verzoek om handhavingsmaatregelen bezwaar en beroep kan instellen.
2.3. Ingevolge artikel 18.14 van de Wet milieubeheer kan eenieder aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.
Ingevolge artikel 20.13 van de Wet milieubeheer kan tegen besluiten als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ten aanzien waarvan afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, door een belanghebbende beroep worden ingesteld.
2.4. Vaststaat dat appellant op grond van artikel 18.14 van de Wet milieubeheer verweerder heeft verzocht handhavingsmaatregelen te treffen. Nu het thans bestreden besluit haar directe aanleiding vindt in het door appellant gedane verzoek en hij geadresseerde is van het besluit van 27 augustus 2002, moet appellant als belanghebbende in de zin van artikel 20.13 van de Wet milieubeheer worden aangemerkt. Hij kan derhalve tegen een op diens verzoek genomen besluit in rechte opkomen. De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2002. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 20.13, gelezen in samenhang met artikel 20.1, van de Wet milieubeheer genomen.
2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop laat de Afdeling het beroep voor het overige buiten bespreking.
2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Uden van 7 januari 2003;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Uden in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Uden te worden betaald aan appellant;
IV. gelast dat de gemeente Uden aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003
312-396.