ECLI:NL:RVS:2003:AI0225
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. Oosting
- H.Ph.J.A.M. Hennekens
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning ondergrondse afvalcontainers wegens onvoldoende geluidsbescherming
Bij besluit van 5 juni 2002 verleende het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van ondergrondse containers voor huishoudelijk afval aan de Lijzijde te Amsterdam-Noord. Appellanten, een belangenvereniging van huiseigenaren en anderen, stelden beroep in tegen deze vergunning vanwege milieuhygiënische bezwaren, waaronder stank, geluidsoverlast en verkeershinder.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vergunning in principe kon worden verleend, maar stelde vast dat de geluidsvoorschriften onvoldoende waren afgestemd op de stille woonwijk waar de containers werden geplaatst. Het deskundigenbericht toonde aan dat de geluidsnormen niet voldeden en dat op inzameldagen de normen werden overschreden. Hierdoor was het besluit in strijd met het vereiste van een zorgvuldige belangenafweging volgens de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom vernietigde de Afdeling het besluit in zijn geheel en veroordeelde het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten. De uitspraak benadrukt het belang van een adequate milieuhygiënische beoordeling, met name op het gebied van geluid, bij het verlenen van vergunningen voor afvalinzameling in woonwijken.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening voor ondergrondse afvalcontainers wordt vernietigd vanwege onvoldoende geluidsbescherming.