200302879/2.
Datum uitspraak: 11 juli 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
het college van burgemeester en wethouders van Enschede,
verweerder.
Bij besluit van 24 maart 2003, kenmerk Wm 485, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een pluimveehouderij aan de [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […]. Dit besluit is op 26 maart 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 5 mei 2003, bij de Raad van State per telefaxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 5 mei 2003, bij de Raad van State per telefaxbericht ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 juni 2003, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. A. Boxman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor het plaatsen van een drietal ventilatoren in de vleeskuikenstal.
2.3. Verzoeker heeft bezwaren met betrekking tot geluid.
2.4. Ingevolge voorschrift 1.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de uitbreiding of wijziging van de in de inrichting, waarvoor vergunning is aangevraagd, ter plaatse van de beoordelingspunten 1 t/m 3, zoals vastgelegd in het aan deze vergunning verbonden akoestisch rapport R001-4224582 JEA-D01-D, datum 2 mei 2002, aangevuld met brief van 23 mei 2002 door [naam onderzoekbureau] (hierna: het akoestisch rapport), ter plaatse van de voorgevel van [locatie 2] niet meer bedragen dan 44, 37 en 27 dB(A), ter plaatse van de zijgevel van [locatie 2] niet meer bedragen dan 42, 37 en 27 dB(A) en ter plaatse van [locatie 3] niet meer bedragen dan 33, 27 en 16 dB(A), alle gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
2.5. Uit de stukken blijkt dat verweerder bij de beoordeling van de geluidbelasting van de inrichting, de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt heeft genomen.
2.6. Voorschrift 1.1.1 is blijkens de bewoordingen alleen van toepassing op de aangevraagde uitbreiding of wijziging. Ter zitting is gebleken dat de in voorschrift 1.1.1 vergunde geluidgrenswaarden gebaseerd zijn op het akoestisch rapport. In dit akoestisch rapport is voor de berekening van het equivalente geluidniveau vanwege de uitbreiding of wijziging te verwachten geluidbelasting echter het volledig in bedrijf zijn van de gehele inrichting als uitgangspunt genomen, terwijl de gevraagde en verleende vergunning slechts ziet op het uitbreiden van de bestaande inrichting met drie ventilatoren. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat, nu het akoestisch rapport ten grondslag is gelegd aan voorschrift 1.1.1, bij het bestreden besluit ten onrechte een hoger langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) is vergund dan nodig is.
De Voorzitter verwacht op grond van het voorgaande dat het bestreden besluit in de bodemprocedure zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.7. De Voorzitter ziet hierin aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Enschede van 24 maart 2003, kenmerk Wm 485;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Enschede in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Enschede te worden betaald aan verzoeker;
III. gelast dat de gemeente Enschede aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Plambeck
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2003