200301634/1.
Datum uitspraak: 9 juli 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 februari 2003 in het geding tussen:
de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch.
Bij besluit van 25 september 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch het verzoek van appellant om toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.
Bij besluit van 18 december 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2003, verzonden op 7 februari 2003, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 7 en 8 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 15 april 2003 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2003, waar appellant in persoon en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. van Dijken, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.
2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb kan het bureau de toevoeging onder meer weigeren, indien het verzoek niet is voorzien van de voor de beoordeling ervan van belang zijnde verklaringen of andere bewijsstukken en de verzoeker na op dat verzuim te zijn gewezen, heeft nagelaten dit binnen een door het bureau gestelde termijn te herstellen.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank eraan voorbijgegaan is dat er jegens hem strafbare feiten zijn gepleegd. Hij is van mening dat hij in aanmerking dient te komen voor gefinancierde rechtsbijstand om deze kwestie nader te laten onderzoeken.
2.3. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat de raad terecht heeft vastgesteld dat appellant, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen concrete omschrijving heeft gegeven van de feiten en omstandigheden betreffende het rechtsprobleem waarvoor toevoeging werd gevraagd alsmede van de aan te voeren gronden. De rechtbank heeft, gelet daarop, terecht geoordeeld dat de raad het, tegen de weigering van het bureau rechtsbijstandvoorziening gerichte, administratief beroep terecht ongegrond heeft verklaard.
2.4. De Afdeling wijst er ten slotte - voorzover nodig - nog op dat toevoeging in Nederland voor een door een Duitse advocaat in Duitsland te verlenen rechtsbijstand in verband met in Duitsland gepleegde feiten toen appellant daar nog woonde, niet mogelijk is, omdat rechtsbijstand ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wbr uitsluitend wordt verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Sparreboom
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003