ECLI:NL:RVS:2003:AG1748

Raad van State

Datum uitspraak
18 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200206632/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • L. Groenendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing huursubsidie door Staatssecretaris van Volkshuisvesting

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor huursubsidie door de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De aanvraag betrof het tijdvak van 1 juli 1998 tot 1 juli 1999 en werd afgewezen bij besluit van 9 september 1999. Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar de Staatssecretaris verklaarde dit bezwaar ongegrond op 30 oktober 2001. De rechtbank te Dordrecht oordeelde op 1 november 2002 dat het bezwaar gegrond was en vernietigde de eerdere beslissing van de Staatssecretaris. Hierop heeft appellante hoger beroep ingesteld bij de Raad van State, dat op 9 mei 2003 ter zitting werd behandeld.

De kern van het geschil betreft de vaststelling van het gezamenlijke vermogen van appellante en haar gewezen echtgenoot door de Belastingdienst, en de vraag of de Staatssecretaris dit vermogen correct heeft gesplitst bij de berekening van de huursubsidie. Appellante betoogde dat de Staatssecretaris ten onrechte het vermogen van haar en haar echtgenoot als één geheel heeft behandeld, terwijl de Belastingdienst dit vermogen had vastgesteld. De Raad van State oordeelde dat de Staatssecretaris terecht de opgave van de Belastingdienst als uitgangspunt heeft genomen voor de vaststelling van de huursubsidie. De rechtbank had dan ook terecht geoordeeld dat de Staatssecretaris geen onjuist rekenvermogen had toegepast.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 18 juni 2003.

Uitspraak

200206632/1.
Datum uitspraak:18 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 1 november 2002 in het geding tussen:
appellante
en
de Staatssecretaris (thans de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 september 1999 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) een aanvraag van appellante om huursubsidie voor het tijdvak 1 juli 1998 tot 1 juli 1999 afgewezen.
Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 november 2002, verzonden op 1 november 2002, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 februari 2003 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst bij beschikking van 23 juli 2001 het gezamenlijke vermogen van haar en haar gewezen echtgenoot heeft vastgesteld en niet van haar alleen, zodat de Staatssecretaris bij de berekening van de huursubsidie dit vermogen ten onrechte niet heeft gesplitst.
2.1.1. De Staatssecretaris heeft terecht een opgave van de vaststelling van het vermogen van appellante per 1 januari 1998 bij de inspecteur van de Belastingdienst opgevraagd. Aangezien ingevolge artikel 4, derde lid, van de Huursubsidiewet, zoals die bepaling toen luidde, onder vermogen wordt verstaan het vermogen, bepaald in hoofdstuk II, met uitzondering van artikel 5, van de Wet op de vermogensbelasting 1964, is die opgave uitgangspunt voor de vaststelling van de hoogte van de huursubsidie. Tegen de vermogensvaststelling, zoals die uit de opgave blijkt, heeft appellante bij de inspecteur geen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de Staatssecretaris, door bij de vaststelling van de huursubsidie op deze opgave af te gaan, geen onjuist rekenvermogen heeft toegepast. Dat de echtgenoot van appellante in de loop van 1998 is overleden, betekent niet dat de Staatssecretaris niet mocht afgaan op de opgave van de inspecteur.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Groenendijk
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003
164-408