ECLI:NL:RVS:2003:AF8970
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- R.E.A. Matulewicz
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen ontheffing ligplaats woonschip
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland die ontheffingen verleenden aan een vergunninghouder voor het innemen van vaste ligplaatsen in de provinciale vaarweg de Rijn. Het bezwaar werd door het college niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaarperiode. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkheid.
Appellant voerde aan dat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld van de besluiten en dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg zijn bezwaarschrift niet had doorgezonden, waardoor hij niet tijdig bezwaar kon maken. De Raad van State oordeelde dat een bezwaarschrift tegen een gemeentelijk besluit niet geldt als bezwaar tegen besluiten van het college en dat appellant op 9 maart 2001 op de hoogte was van de besluiten, waarna de termijn van twee weken voor het indienen van bezwaar begon te lopen.
De Raad van State stelde vast dat appellant zijn bezwaar te laat had ingediend en dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard. De inhoudelijke behandeling van de door appellant aangevoerde schending van artikel 3:2 Awb Pro werd niet aan de orde gesteld omdat dit punt niet eerder was ingebracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bevestigd.