ECLI:NL:RVS:2003:AF8936
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C. Sparreboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen vergoeding toevoeging door raad voor rechtsbijstand
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat hij niet aanwezig was bij de zitting van de politierechter op 15 april 1999, terwijl hij dit wel was. Hij bood aan dit zonodig met getuigenverklaringen te bewijzen. De rechtbank oordeelde echter dat de raad voor rechtsbijstand voldoende onderzoek had gedaan door bevestiging van de griffie te verkrijgen dat appellant niet aanwezig was, en dat het aan appellant was om het tegendeel aannemelijk te maken, wat niet lukte.
De Raad van State overwoog dat het nieuwe bewijsaanbod in hoger beroep niet tot een ander oordeel kan leiden, omdat het besluit van de raad zorgvuldig was voorbereid. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 mei 2003.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.