ECLI:NL:RVS:2003:AF6710
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken voorafgaand bezwaar bij intrekking grondwatervergunning
Appellant had beroep ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot intrekking van een vergunning op grond van de Grondwaterwet. De vergunning was ingetrokken omdat er gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik van was gemaakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant voorafgaand aan het beroep eerst een bezwaarschrift had moeten indienen, omdat niet was voldaan aan de uitzonderingen in de Algemene wet bestuursrecht die een rechtstreeks beroep toestaan. Appellant had dit bezwaarschrift niet ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Daarnaast werd het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant, omdat de provincie onterecht had aangegeven dat rechtstreeks beroep mogelijk was. De uitspraak werd gedaan op 2 april 2003.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift.