ECLI:NL:RVS:2003:AF6707
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken voorafgaand bezwaar tegen intrekking grondwatervergunning
Appellant had een vergunning krachtens de Grondwaterwet voor het aanbrengen en gebruiken van een grondwaterbron voor beregeningsactiviteiten. Deze vergunning werd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ingetrokken wegens het niet gebruiken van de vergunning gedurende vier achtereenvolgende jaren.
Appellant stelde beroep in tegen dit intrekkingsbesluit zonder eerst een bezwaarschrift in te dienen bij verweerder. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geval eerst bezwaar had moeten worden gemaakt, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor rechtstreeks beroep.
Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 Awb Pro als bezwaarschrift doorgestuurd naar verweerder. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan appellant.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van het volgen van de juiste procedure, met name het indienen van bezwaar voordat beroep wordt ingesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand ingediend bezwaarschrift.