ECLI:NL:RVS:2003:AF6635
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring en verblijfsrecht op grond van Vreemdelingenwet 2000
Appellante was in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze maatregel ongegrond. Appellante stelde onder meer dat zij rechtmatig verblijf had op grond van een ingediende aanvraag en dat haar recht op rechtsbijstand was geschonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep zich richtte tegen een uitspraak van de rechtbank en dat appellante belang had bij het hoger beroep, omdat de uitspraak bepalend was voor haar verzoek om schadevergoeding. De grieven van appellante werden echter als louter herhaling van eerdere argumenten beoordeeld en voldeden niet aan de eisen van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Verder werd geoordeeld dat het recht op vestiging en arbeid als zelfstandige voor Roemeense onderdanen niet absoluut is en dat nationale wetgeving, waaronder de Vreemdelingenwet 2000, de uitoefening daarvan mag reguleren. Appellante kon geen rechtstreeks verblijfsrecht ontlenen aan de Europa-overeenkomst, en zolang zij niet voldeed aan de nationale procedurele vereisten, mocht zij niet werken. De grieven tegen de voortzetting van de bewaring faalden eveneens omdat appellante haar aanvraag had ingetrokken.
Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.