ECLI:NL:RVS:2003:AF6012
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Hoekstra
- R.H. Lauwaars
- P.J.J. van Buuren
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanwijzing Haringvliet als speciale beschermingszone volgens Vogelrichtlijn
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om het Haringvliet aan te wijzen als speciale beschermingszone (SBZ) op grond van de Vogelrichtlijn en de Wetlands-Conventie. De Raad van State beoordeelt onder meer de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de opname in de Wetlands-lijst, de selectie- en begrenzingscriteria voor de SBZ, de motivering van het aanwijzingsbesluit en de gevolgen voor belangen zoals jacht, agrarisch en recreatief gebruik.
De Afdeling oordeelt dat de aanwijzing voor opname in de Wetlands-lijst geen besluit met rechtsgevolgen is en het bezwaar daarom niet-ontvankelijk is. De selectie- en begrenzingscriteria zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderbouwde ornithologische gegevens, waaronder de IBA-lijsten van 1989 en 1994, en zijn niet onredelijk. Niet-ornithologische belangen zoals agrarische en recreatieve belangen mogen geen rol spelen bij de aanwijzing van SBZ's.
Verder is voldaan aan de motiveringsplicht van artikel 27 van Pro de Natuurbeschermingswet 1998, en is het beroep op het ontbreken van een schadevergoeding ongegrond omdat geen individuele en buitensporige last is aangetoond. De Afdeling bevestigt dat de aanwijzing in overeenstemming is met de Vogelrichtlijn en dat de beroepen ongegrond zijn verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanwijzing van het Haringvliet als speciale beschermingszone worden ongegrond verklaard.