ECLI:NL:RVS:2003:AF5643

Raad van State

Datum uitspraak
12 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200202289/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • J.A.M. van Angeren
  • P.A. Offers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2:138 BWArt. 3 Garantstellingsregeling curatorenArt. 8:26 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voormalig bestuurders geen belanghebbenden bij garantstelling curator voor bestuurdersaansprakelijkheid

De zaak betreft een besluit van de Minister van Justitie tot het verlenen van een garantstelling aan de curator in het faillissement van Database Consultants Investments N.V. (DCI) voor het openen van een rekening-courant ter dekking van uitgaven voor onderzoek en het eventueel instellen van een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.

Appellanten, voormalig bestuurders van DCI, voerden bezwaar aan tegen dit besluit en stelden dat zij als (ex-)bestuurders belanghebbenden waren bij de garantstelling. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat het belang van appellanten niet rechtstreeks werd geraakt door de garantstelling, omdat deze slechts financiële zekerheid verschaft aan de curator en het instellen van een vordering een aparte beslissing vereist.

De Raad van State bevestigt deze overwegingen en stelt dat pas bij het daadwerkelijk instellen van een vordering de belangen van (ex-)bestuurders rechtstreeks worden geraakt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200202289/1.
Datum uitspraak: 12 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2002 in het geding tussen:
appellanten
en
de Minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 april 1995 heeft de Minister van Justitie (hierna: de Minister) toestemming verleend aan [curator] in het faillissement van Database Consultants Investments N.V. (hierna: DCI), tot het openen van een rekening-courant tot een maximum van ƒ 30.000,00 (€ 13.613,41) met een looptijd van ten hoogste één jaar ter dekking van de uitgaven terzake van het onderzoek of het instellen van een vordering ex artikel 2:138, tiende lid, van het Burgerlijk Wetboek. Op 2 mei 1995 heeft de Minister vervolgens een garantie afgegeven jegens de Kas-Associatie N.V.. In tien volgende besluiten van 30 september 1996 tot en met 9 maart 2000 heeft de Minister de garantie verhoogd tot een totaal van ƒ 475.000,00 (€ 215.545,60) en de looptijd verlengd tot 15 mei 2000.
Bij besluit van 1 maart 2001 heeft de Minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 maart 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 23 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 23 september 2002 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek hebben appellanten en de curator, die op de voet van artikel 8:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als partij aan het geding deelneemt, nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2002, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. N. Romijn, ambtenaar ten departemente, en de curator, in persoon en vergezeld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In geschil is of (ex-)bestuurders van een vennootschap belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij een besluit van de Minister tot toekenning van een voorschot aan de curator in de vorm van een garantstelling, als bedoeld in de Garantstellingsregeling curatoren, voor het onderzoek naar en het instellen van een rechtsvordering op grond van artikel 2:138 van Pro het Burgerlijk Wetboek terzake van bestuurdersaansprakelijkheid. Appellant sub 1 is voormalig bestuurder van DCI en appellante sub 2 is de weduwe van een voormalig bestuurder.
2.2. Uit artikel 3, tweede lid, van de Garantstellingsregeling curatoren blijkt dat de garantstelling wordt gegeven tot een bedrag dat nodig is voor het instellen van een rechtsvordering of voor het onderzoek naar de mogelijkheid daartoe. Onder dat bedrag is begrepen een vergoeding voor de door de verzoeker aan de zaak te besteden tijd en voor zijn verschotten waaronder de proceskosten waarin hij mogelijk jegens de wederpartij wordt veroordeeld.
De rechtbank heeft gelet daarop met juistheid overwogen dat het belang van appellanten om niet in een gerechtelijke procedure te worden betrokken niet rechtstreeks door het verlenen van de garantstelling wordt getroffen. Met de besluiten is slechts financiële zekerheid verstrekt met het oog op de behartiging van de belangen van de boedel. Voor het instellen van de vordering was bovendien een nadere beslissing van de curator vereist en het verlenen van de garantstelling bracht voor de curator niet de verplichting mee de vordering ook daadwerkelijk in te stellen. Eerst door het instellen van de vordering worden (ex-)bestuurders rechtstreeks in hun belangen geraakt; in de daarop volgende gerechtelijke procedure komen hun belangen (als partij) aan de orde. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden het beroep van appellanten tegen het besluit van de Minister tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003
18-420.