ECLI:NL:RVS:2003:AF5570
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling na afwijzing asielaanvraag
De zaak betreft een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die een vrijheidsontnemende maatregel ten aanzien van een vreemdeling had opgeheven. De maatregel was opgelegd op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gericht op het voorkomen van ongeoorloofde toegang tot Nederland.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de maatregel opgeheven, onder meer omdat zij oordeelde dat de belangen van de vreemdeling zwaarder wogen dan die van de minister. De minister stelde dat nader onderzoek noodzakelijk was en dat het grensbewakingsbelang zwaarder moest wegen, mede vanwege verdenkingen tegen de vreemdeling.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de minister van 17 december 2002 niet-ontvankelijk was wegens ontbreken van grieven, maar dat het hoger beroep van 23 december 2002 wel ontvankelijk en gegrond was. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. De vrijheidsontnemende maatregel mocht worden voortgezet zolang het onderzoek niet was afgerond.
De Raad van State benadrukte dat de maatregel niet afhankelijk is van zicht op uitzetting en dat het grensbewakingsbelang, gezien de aard van de verdenkingen en het Schengen-gebied, zwaar weegt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister van 17 december 2002 is niet-ontvankelijk; het hoger beroep van 23 december 2002 is gegrond en de vrijheidsontnemende maatregel wordt voortgezet.