AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid in bezwaar tegen bouwvergunning voor bedrijfsverzamelgebouw
Het college van burgemeester en wethouders van Schermer verleende een bouwvergunning aan een derde voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw. Appellante maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank te Alkmaar oordeelde vervolgens dat appellante niet-ontvankelijk was in haar bezwaar omdat zij niet als belanghebbende kon worden aangemerkt.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk in haar bedrijfseconomische belang werd geraakt door de vergunningverlening aan de derde. De Raad van State oordeelde echter dat het feit dat de vergunning aan een ander is verleend niet betekent dat appellante daardoor geen bouwvergunning kan krijgen, en dat zij daarom niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen.
De Raad van State bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante niet-ontvankelijk is in haar bezwaar.
Uitspraak
200105368/1.
Datum uitspraak: 19 februari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
appellante,, gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 27 september 2001 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Schermer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 april 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schermer (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw op het bedrijventerrein "De Schermer" te [locatie], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer[…] (hierna: het bedrijfsverzamelgebouw).
Bij besluit van 25 januari 2000 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 september 2001, verzonden op 1 oktober 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en appellante onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 maart 2002 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. O.H. Minjon, advocaat te Alkmaar, en [gemachtigde], zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij door de beslissing op bezwaar in haar - bedrijfseconomische - belang is getroffen, nu met dit besluit aan [vergunninghouder] en niet aan haar vergunning is verleend voor de bouw van het bedrijfsverzamelgebouw.
Dit betoog faalt. Dat de bestreden beslissing op bezwaar [vergunninghouder] toestaat het bedrijfsverzamelgebouw te bouwen heeft niet tot gevolg dat appellante daarvoor geen bouwvergunning kan worden verleend. Appellante wordt derhalve niet door de verlening van de bouwvergunning aan [vergunninghouder] geraakt in het door haar gestelde belang. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante bij de beslissing op bezwaar niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht moet worden aangemerkt.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.